De beste flashcard-sets om Italiano (Italian) woordenschat te leren: A1–B2 Gids
Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het Italiano (Italian) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.
Interactive Premade Curricula
Italian Flashcard Decks (15)
Select any deck below to study cards with active recall, audio pronunciation, and FSRS spaced repetition, or filter by difficulty level.
Italiano (Italian) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen
Italiano (Italian) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd
Italiano (Italian) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen
Italiano (Italian) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant
Italiano (Italian) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt
Italiano (Italian) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Italiano (Italian) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren
Italiano (Italian) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek
Italiano (Italian) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Italiano (Italian) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen
Italiano (Italian) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen
Italiano (Italian) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen
Italiano (Italian) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden
Italiano (Italian) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen
Italiano (Italian) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's
Klaar om direct te beginnen met oefenen?
Om vol vertrouwen Italiano (Italian) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).
Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt
Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.
De 15 essentiële thematische Italiano flashcard-sets (480 kernwoorden)
Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)
Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| Ciao | Hallo | Ciao, come va la giornata? — Hallo, hoe is je dag? |
| Buongiorno | Goedemorgen | Buongiorno, hai dormito bene? — Goedemorgen, heb je goed geslapen? |
| Buon pomeriggio | Goedemiddag | Buon pomeriggio, benvenuto nel negozio. — Goedemiddag, welkom in onze winkel. |
| Buonasera | Goedenavond | Buonasera, la cena è pronta. — Goedenavond, het eten is klaar. |
| Buonanotte | Welterusten | Buonanotte, dormi bene stanotte. — Welterusten, slaap lekker vannacht. |
| Arrivederci | Tot ziens | Arrivederci, ci vediamo presto. — Tot ziens, tot snel weer. |
| A domani | Tot morgen | A domani mattina al lavoro. — Tot morgenochtend op het werk. |
| Per favore | Alsjeblieft | Passami l'acqua, per favore. — Geef me het water, alsjeblieft. |
| Grazie | Dank je | Grazie per il tuo aiuto. — Dank je voor je hulp. |
| Grazie mille | Hartelijk dank | Grazie mille per tutto quanto. — Hartelijk dank voor alles vandaag. |
Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)
Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| uno (1) | één (1) | Ho un biglietto per oggi. — Ik heb één kaartje voor vandaag. |
| due (2) | twee (2) | Un tavolo per due persone. — Een tafel voor twee personen. |
| tre (3) | drie (3) | Abbiamo tre gatti a casa. — We hebben drie katten thuis. |
| quattro (4) | vier (4) | Ci sono quattro sedie qui. — Er staan hier vier stoelen. |
| cinque (5) | vijf (5) | Dammi cinque minuti, per favore. — Geef me alsjeblieft vijf minuten. |
| sei (6) | zes (6) | Mi sveglio alle sei. — Ik sta om zes uur op. |
| sette (7) | zeven (7) | La settimana ha sette giorni. — Een week heeft zeven dagen. |
| otto (8) | acht (8) | Il lavoro inizia alle otto. — De les begint om acht uur. |
| nove (9) | negen (9) | Il treno parte alle nove. — De trein vertrekt om negen uur. |
| dieci (10) | tien (10) | Questo libro costa dieci euro. — Dit boek kost tien euro. |
Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)
Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| la casa | het huis | La nostra casa è molto accogliente. — Ons huis staat in een rustige straat. |
| l'appartamento | het appartement | Vivo in un piccolo appartamento. — Ik huur een licht appartement. |
| la stanza | de kamer | Questa stanza è molto luminosa. — Deze kamer heeft grote ramen. |
| la cucina | de keuken | Prepariamo la cena in cucina. — We koken samen in de keuken. |
| la camera da letto | de slaapkamer | La camera da letto è silenziosa. — De slaapkamer ligt aan de achterkant. |
| il bagno | de badkamer | Mi lavo le mani in bagno. — De badkamer is net schoongemaakt. |
| il soggiorno | de woonkamer | Guardiamo la TV in salotto. — We zitten gezellig in de woonkamer. |
| il giardino | de tuin | I bambini giocano in giardino. — We drinken thee in de tuin. |
| la sedia | de stoel | La sedia è molto comoda. — Deze houten stoel zit lekker. |
| il tavolo | de tafel | I piatti sono sul tavolo. — De borden staan op de tafel. |
Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)
Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| l'acqua | het water | Un bicchiere d'acqua fresca. — Een glas koud water, alsjeblieft. |
| il pane | het brood | Compro il pane fresco dal fornaio. — Dit verse brood ruikt heerlijk. |
| il caffè | de koffie | Prendo un caffè espresso al bar. — Wil je een kopje warme koffie? |
| il tè | de thee | Bevo una tazza di tè caldo. — Ik drink graag groene thee. |
| il latte | de melk | Vorrei un bicchiere di latte caldo. — Drink je koffie met melk? |
| il succo | het sap | Un succo di frutta, per favore. — Ik drink graag vers sinaasappelsap. |
| il vino | de wijn | Un calice di vino rosso locale. — Een glas witte wijn bij de vis. |
| la birra | het bier | Una birra chiara piccola, grazie. — Twee koude biertjes op het terras. |
| il formaggio | de kaas | Aggiungi del formaggio sulla pasta. — Een boterham met oude kaas. |
| il burro | de boter | Spalma il burro sul pane caldo. — Smeer wat roomboter op je brood. |
Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)
Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| la frutta | het fruit | Mangio frutta fresca a merenda. — Vers fruit bevat veel vitamines. |
| la mela | de appel | Una mela al giorno fa bene. — Ik eet elke dag een appel. |
| la banana | de banaan | Sbuccia una banana matura. — Een rijpe gele banaan voor onderweg. |
| l'arancia | de sinaasappel | Un'arancia dolce di Sicilia. — Ik pel een sappige sinaasappel. |
| il limone | de citroen | Spremi mezzo limone sull'insalata. — Een schijfje citroen in de thee. |
| la fragola | de aardbei | Una coppa di fragole fresche. — Zomerse aardbeien met slagroom. |
| l'uva | de druif | Un grappolo d'uva bianca matura. — Een tros witte pitloze druiven. |
| la pesca | de perzik | Una pesca gialla dolce e succosa. — Een zachte en zoete zomerperzik. |
| l'anguria / il cocomero | de watermeloen | Una fetta di anguria fresca. — Een stuk koude watermeloen. |
| l'ananas | de ananas | L'ananas maturo ha un buon profumo. — Snijd de verse ananas in stukjes. |
Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)
Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| la famiglia | de familie | La mia famiglia vive in questa città. — Mijn familie woont in deze stad. |
| la madre | de moeder | Mia madre cucina piatti deliziosi ogni giorno. — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten. |
| il padre | de vader | Mio padre lavora in un ospedale locale. — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis. |
| i genitori | de ouders | I miei genitori vanno al mare ogni estate. — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee. |
| il fratello | de broer | Mio fratello suona bene la chitarra. — Mijn broer speelt gitaar in een band. |
| la sorella | de zus | Mia sorella studia medicina all'università. — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit. |
| il figlio | de zoon | Il loro figlio va alla scuola elementare. — Hun zoon gaat nu naar de basisschool. |
| la figlia | de dochter | La loro figlia ama disegnare quadri colorati. — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes. |
| il nonno | de grootvader | Mio nonno racconta belle storie ogni sera. — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen. |
| la nonna | de grootmoeder | Mia nonna prepara il pane la domenica. — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Italiano (Italian) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)
Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| i vestiti | de kleding | Metto vestiti puliti nella valigia. — Ik pak schone kleding in voor de reis. |
| la camicia | het overhemd | Lui indossa una camicia bianca in ufficio. — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor. |
| la maglietta | het T-shirt | Indosso una maglietta di cotone d'estate. — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt. |
| il maglione | de trui | Questo maglione di lana tiene molto caldo. — Deze wollen trui houdt mij lekker warm. |
| la giacca | het jasje | Mettiti la giacca prima di uscire. — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat. |
| il cappotto | de winterjas | Ha appeso il cappotto vicino alla porta. — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur. |
| l'abito | het pak | Ha comprato un abito scuro per il matrimonio. — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft. |
| il vestito | de jurk | Oggi lei indossa un elegante vestito estivo. — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk. |
| la gonna | de rok | Questa gonna sta bene con la camicetta. — Deze rok past goed bij haar blouse. |
| i pantaloni | de broek | Questi pantaloni neri sono un po' lunghi. — Deze zwarte broek is net iets te lang. |
Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)
Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| il corpo | het lichaam | Lo sport mantiene il corpo forte. — Beweging houdt het lichaam gezond. |
| la testa | het hoofd | Lui ha annuito con la testa. — Hij knikte instemmend met zijn hoofd. |
| i capelli | het haar | Lei si spazzola i capelli ogni mattina. — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar. |
| il viso | het gezicht | Mi lavo il viso con acqua fredda. — Ik was mijn gezicht met koud water. |
| l'occhio | het oog | Lei ha chiuso gli occhi per dormire. — Ze sloot haar ogen en viel in slaap. |
| l'orecchio | het oor | Mi ha sussurrato un segreto all'orecchio. — Ze fluisterde een geheim in mijn oor. |
| il naso | de neus | Ho il naso freddo per il vento. — Mijn neus is koud door de wind. |
| la bocca | de mond | Apri bene la bocca dal dentista. — Doe je mond wijd open bij de tandarts. |
| il dente | de tand | Mi lavo i denti due volte al giorno. — Ik poets mijn tanden twee keer per dag. |
| la lingua | de tong | La zuppa calda mi ha scottato la lingua. — De hete soep verbrandde mijn tong. |
Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)
Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| l'animale | het dier | Gli animali selvatici vivono nel bosco. — Wilde dieren leven vrij in het bos. |
| il cane | de hond | Il cane corre felice nel parco. — De hond rent vrolijk in het park. |
| il gatto | de kat | Il gatto dorme sul divano caldo. — De kat slaapt op de warme bank. |
| l'uccello | de vogel | Un piccolo uccello canta sull'albero. — Een kleine vogel zingt in de boom. |
| il cavallo | het paard | Il cavallo marrone corre nel prato. — Het bruine paard rent door het veld. |
| la mucca | de koe | Le mucche mangiano erba nel prato. — Koeien eten vers gras in de wei. |
| il maiale | het varken | Il contadino dà da mangiare ai maiali. — De boer voert de varkens elke ochtend. |
| la pecora | het schaap | Le pecore bianche pascolano sulla collina. — Witte schapen grazen op de groene heuvel. |
| la gallina | de kip | Le galline fanno uova fresche ogni giorno. — De kippen leggen elke ochtend verse eieren. |
| il coniglio | het konijn | Il coniglio bianco ama mangiare le carote. — Het witte konijn eet graag verse wortels. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Italiano (Italian) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)
Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| il viaggio | de reis | Il nostro viaggio a Roma è stato bello. — Onze reis naar Rome was onvergetelijk. |
| l'aeroporto | de luchthaven | Arriva in aeroporto due ore prima. — Kom twee uur eerder naar de luchthaven. |
| l'aereo | het vliegtuig | L'aereo è decollato in orario. — Het vliegtuig vertrok precies op tijd. |
| il volo | de vlucht | Il nostro volo diretto dura due ore. — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur. |
| il passaporto | het paspoort | Mostra il passaporto al controllo. — Toon uw paspoort bij de grenscontrole. |
| la carta d'imbarco | de instapkaart | Tieni pronta la carta d'imbarco. — Houd uw instapkaart bij de hand. |
| la valigia | de koffer | Questa valigia pesante ha quattro ruote. — Deze zware koffer heeft vier wieltjes. |
| lo zaino | de rugzak | Porto il computer nello zaino. — Ik draag mijn laptop in een rugzak. |
| il treno | de trein | Il treno veloce parte dal binario tre. — De sneltrein vertrekt van spoor drie. |
| la stazione | het treinstation | Ci vediamo davanti alla stazione. — Wacht op mij voor het treinstation. |
Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)
Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| città | stad | Questa città è molto vivace. — Deze stad is erg levendig. |
| paese | dorp | Vivono in un paese tranquillo. — Ze wonen in een rustig dorp. |
| centro | centrum | Andiamo in centro oggi. — We gaan vandaag naar het centrum. |
| piazza | plein | La piazza principale è affollata. — Het grote plein is druk. |
| parco | park | I bambini giocano nel parco. — Kinderen spelen in het park. |
| supermercato | supermarkt | Faccio la spesa al supermercato. — Ik koop eten in de supermarkt. |
| mercato | markt | Compro la frutta al mercato. — Er is vers fruit op de markt. |
| panetteria | bakkerij | Compro il pane in panetteria. — De bakkerij verkoopt vers brood. |
| libreria | boekhandel | Cerco un romanzo in libreria. — Ik koop een boek in de boekhandel. |
| negozio di abbigliamento | kledingwinkel | Questo negozio ha giacche. — Deze kledingwinkel heeft jassen. |
Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)
School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| scuola | school | La scuola inizia alle otto. — De school begint om acht uur. |
| università | universiteit | Lei studia all'università. — Ze studeert aan de universiteit. |
| aula | klasokaal | L'aula è molto luminosa. — Het klaslokaal is erg licht. |
| lezione | les | La lezione inizia tra poco. — De les begint om tien uur. |
| compiti | huiswerk | Ho finito tutti i compiti. — Ik maak nu mijn huiswerk. |
| esame | examen | Ho superato l'esame finale. — Ze is geslaagd voor het examen. |
| libro | boek | Questo libro è molto bello. — Dit boek heeft een mooi verhaal. |
| quaderno | schrift | Scrivo gli appunti sul quaderno. — Schrijf de woorden in je schrift. |
| pagina | pagina | Apri il libro a pagina dieci. — Lees nu pagina tien. |
| penna | pen | Hai una penna blu? — Mag ik jouw pen lenen? |
Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)
Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| essere | zijn | Sono pronto per iniziare. — Ik ben helemaal klaar. |
| avere | hebben | Abbiamo due cani simpatici. — We hebben een grote tuin. |
| andare | gaan | Vado a scuola in bici. — Ik ga morgen naar Amsterdam. |
| venire | komen | Vieni alla festa con noi? — Kom je vanavond bij ons? |
| fare | maken | Faccio colazione alle sette. — Zij maakt een lekkere taart. |
| mangiare | eten | Mangiamo una pizza insieme. — We eten om zes uur. |
| bere | drinken | Bevo un bicchiere d'acqua. — Ik drink graag koude melk. |
| dormire | slapen | Il bambino dorme tranquillo. — Ik slaap acht uur per nacht. |
| svegliarsi | wakker worden | Mi sveglio presto la mattina. — Ik word om zeven uur wakker. |
| parlare | spreken | Parliamo spesso al telefono. — Zij spreekt vloeiend Frans. |
Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)
Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| grande | groot | Abitano in una casa grande. — Ze wonen in een groot huis. |
| piccolo | klein | Ho comprato un tavolo piccolo. — Dit is een klein kopje. |
| buono | goed | Questo gelato è molto buono. — Dat is een goed idee. |
| cattivo | slecht | Oggi fa proprio brutto tempo. — Het weer is vandaag slecht. |
| nuovo | nieuw | Ho comprato una giacca nuova. — Ik heb een nieuwe fiets. |
| vecchio | oud | Quel castello è molto vecchio. — Dat kasteel is heel oud. |
| giovane | jong | Il nuovo direttore è giovane. — De jonge hond rent snel. |
| caldo | heet | Il tè è ancora bollente. — Pas op, de soep is heet. |
| freddo | koud | Oggi tira un vento freddo. — De winterwind is erg koud. |
| tiepido | warm | Il sole di primavera è tiepido. — Draag vandaag een warme trui. |
Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)
Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.
| Woord (Italiano) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| felice | blij | Sono molto felice per te. — Ik ben erg blij vandaag. |
| triste | verdrietig | Il finale del film è triste. — Het einde van de film is verdrietig. |
| stanco | moe | Sono stanco dopo il viaggio. — Ik ben moe na het sporten. |
| arrabbiato | boos | Non essere arrabbiato con me. — Wees alsjeblieft niet boos. |
| calmo | kalm | Il mare oggi è calmo. — De blauwe zee is kalm. |
| nervoso | zenuwachtig | Sono nervoso prima dell'esame. — Ik ben zenuwachtig voor de test. |
| entusiasta | enthousiast | Siamo entusiasti per la gita. — De kinderen zijn erg enthousiast. |
| sorpreso | verrast | Era sorpreso per la festa. — Hij was verrast door het cadeau. |
| orgoglioso | trots | Siamo orgogliosi di te. — Haar ouders zijn trots op haar. |
| preoccupato | bezorgd | Non essere preoccupato per noi. — Maak je maar niet bezorgd. |
Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition
Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.