Language Learning (CEFR A1–C2) Nederlands 15 Interactive Flashcard Decks

De beste flashcard-sets om Bahasa Indonesia (Indonesian) woordenschat te leren: A1–B2 Gids

Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het Bahasa Indonesia (Indonesian) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.

Klaar om direct te beginnen met oefenen?

Om vol vertrouwen Bahasa Indonesia (Indonesian) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).


Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt

Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.


De 15 essentiële thematische Bahasa Indonesia flashcard-sets (480 kernwoorden)

Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)

Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
Halo Hallo Halo, bagaimana harimu hari ini? — Hallo, hoe is je dag?
Selamat pagi Goedemorgen Selamat pagi, apakah tidurmu nyenyak? — Goedemorgen, heb je goed geslapen?
Selamat siang Goedemiddag Selamat siang, selamat datang di toko. — Goedemiddag, welkom in onze winkel.
Selamat malam Goedenavond Selamat malam, makan malam sudah siap. — Goedenavond, het eten is klaar.
Selamat tidur Welterusten Selamat tidur, semoga mimpi indah. — Welterusten, slaap lekker vannacht.
Sampai jumpa Tot ziens Sampai jumpa lagi nanti. — Tot ziens, tot snel weer.
Sampai besok Tot morgen Sampai ketemu besok pagi. — Tot morgenochtend op het werk.
Tolong Alsjeblieft Tolong ambilkan saya air minum. — Geef me het water, alsjeblieft.
Terima kasih Dank je Terima kasih atas bantuanmu. — Dank je voor je hulp.
Terima kasih banyak Hartelijk dank Terima kasih banyak atas semuanya. — Hartelijk dank voor alles vandaag.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen


Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)

Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
satu (1) één (1) Saya punya satu tiket hari ini. — Ik heb één kaartje voor vandaag.
dua (2) twee (2) Meja untuk dua orang, tolong. — Een tafel voor twee personen.
tiga (3) drie (3) Kami punya tiga kucing di rumah. — We hebben drie katten thuis.
empat (4) vier (4) Ada empat kursi di sini. — Er staan hier vier stoelen.
lima (5) vijf (5) Beri saya waktu lima menit. — Geef me alsjeblieft vijf minuten.
enam (6) zes (6) Saya bangun jam enam pagi. — Ik sta om zes uur op.
tujuh (7) zeven (7) Satu minggu ada tujuh hari. — Een week heeft zeven dagen.
delapan (8) acht (8) Kantor buka jam delapan tepat. — De les begint om acht uur.
sembilan (9) negen (9) Kereta berangkat jam sembilan. — De trein vertrekt om negen uur.
sepuluh (10) tien (10) Saya membeli sepuluh buah apel. — Dit boek kost tien euro.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd


Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)

Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
rumah het huis Rumah kami dekat dari sekolah. — Ons huis staat in een rustige straat.
apartemen het appartement Saya tinggal di apartemen lantai lima. — Ik huur een licht appartement.
kamar de kamer Kamar ini sangat rapi dan bersih. — Deze kamer heeft grote ramen.
dapur de keuken Ibu sedang memasak di dapur. — We koken samen in de keuken.
kamar tidur de slaapkamer Kamar tidur ini sangat nyaman. — De slaapkamer ligt aan de achterkant.
kamar mandi de badkamer Saya mencuci tangan di kamar mandi. — De badkamer is net schoongemaakt.
ruang tamu de woonkamer Kami berkumpul di ruang keluarga. — We zitten gezellig in de woonkamer.
kebun / taman de tuin Bunga mawar tumbuh di taman. — We drinken thee in de tuin.
kursi de stoel Silakan duduk di kursi kayu ini. — Deze houten stoel zit lekker.
meja de tafel Makanan sudah siap di atas meja. — De borden staan op de tafel.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen


Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)

Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
air het water Tolong segelas air putih dingin. — Een glas koud water, alsjeblieft.
roti het brood Saya makan roti tawar saat sarapan. — Dit verse brood ruikt heerlijk.
kopi de koffie Ayah menyeduh secangkir kopi hitam. — Wil je een kopje warme koffie?
teh de thee Ibu membuat teh manis hangat. — Ik drink graag groene thee.
susu de melk Adik minum segelas susu cokelat. — Drink je koffie met melk?
jus het sap Saya memesan jus jeruk dingin. — Ik drink graag vers sinaasappelsap.
anggur / wine de wijn Sebotol minuman anggur merah. — Een glas witte wijn bij de vis.
bir het bier Segelas bir dingin di malam hari. — Twee koude biertjes op het terras.
keju de kaas Roti bakar dengan taburan keju. — Een boterham met oude kaas.
mentega de boter Oleskan mentega pada roti panggang. — Smeer wat roomboter op je brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant


Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)

Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
buah het fruit Buah-buahan segar kaya akan vitamin. — Vers fruit bevat veel vitamines.
apel de appel Apel merah ini manis dan renyah. — Ik eet elke dag een appel.
pisang de banaan Pisang kuning yang matang itu manis. — Een rijpe gele banaan voor onderweg.
jeruk de sinaasappel Jeruk manis ini banyak airnya. — Ik pel een sappige sinaasappel.
lemon / jeruk nipis de citroen Peras sedikit air lemon ke ikan. — Een schijfje citroen in de thee.
stroberi de aardbei Selai stroberi manis untuk roti. — Zomerse aardbeien met slagroom.
buah anggur de druif Setangkai buah anggur ungu segar. — Een tros witte pitloze druiven.
buah persik de perzik Buah persik ini lembut dan manis. — Een zachte en zoete zomerperzik.
semangka de watermeloen Potongan semangka merah yang segar. — Een stuk koude watermeloen.
nanas de ananas Buah nanas segar untuk rujak. — Snijd de verse ananas in stukjes.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt


Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)

Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
keluarga de familie Keluarga saya tinggal di kota ini. — Mijn familie woont in deze stad.
ibu de moeder Ibu saya memasak makanan lezat setiap hari. — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten.
ayah de vader Ayah saya bekerja di rumah sakit setempat. — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis.
orang tua de ouders Orang tua saya berlibur ke pantai setiap musim. — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee.
saudara laki-laki de broer Kakak laki-laki saya bermain gitar. — Mijn broer speelt gitaar in een band.
saudara perempuan de zus Kakak perempuan saya kuliah kedokteran. — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit.
putra de zoon Putra mereka sekarang bersekolah di sekolah dasar. — Hun zoon gaat nu naar de basisschool.
putri de dochter Putri mereka suka menggambar pemandangan indah. — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes.
kakek de grootvader Kakek saya menceritakan kisah menarik setiap malam. — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen.
nenek de grootmoeder Nenek saya membuat kue lezat setiap minggu. — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Familie, mensen, vrienden en relaties


Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)

Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
pakaian de kleding Saya mengemas pakaian bersih untuk perjalanan. — Ik pak schone kleding in voor de reis.
kemeja het overhemd Dia memakai kemeja putih ke kantor. — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor.
kaos het T-shirt Saya memakai kaos katun saat musim panas. — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt.
sweter de trui Sweter wol ini menghangatkan tubuh di musim dingin. — Deze wollen trui houdt mij lekker warm.
jaket het jasje Kenakan jaketmu sebelum keluar dari rumah. — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat.
mantel de winterjas Dia menggantung mantel tebalnya di dekat pintu. — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur.
jas het pak Dia membeli setelan jas gelap untuk pernikahan. — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft.
gaun de jurk Dia mengenakan gaun musim panas yang anggun. — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk.
rok de rok Rok lipit ini sangat cocok dengan blusnya. — Deze rok past goed bij haar blouse.
celana panjang de broek Celana panjang hitam ini sedikit terlalu panjang. — Deze zwarte broek is net iets te lang.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren


Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)

Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
tubuh het lichaam Olahraga teratur menjaga tubuh tetap sehat. — Beweging houdt het lichaam gezond.
kepala het hoofd Dia menganggukkan kepala tanda setuju. — Hij knikte instemmend met zijn hoofd.
rambut het haar Dia menyisir rambut panjangnya setiap pagi. — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar.
wajah het gezicht Saya mencuci wajah dengan air dingin. — Ik was mijn gezicht met koud water.
mata het oog Dia memejamkan mata lalu tertidur pulas. — Ze sloot haar ogen en viel in slaap.
telinga het oor Dia membisikkan rahasia ke telinga saya. — Ze fluisterde een geheim in mijn oor.
hidung de neus Hidung saya terasa dingin karena angin. — Mijn neus is koud door de wind.
mulut de mond Buka mulut Anda lebar-lebar di dokter gigi. — Doe je mond wijd open bij de tandarts.
gigi de tand Saya menyikat gigi dua kali sehari. — Ik poets mijn tanden twee keer per dag.
lidah de tong Sup panas itu membuat lidah saya terbakar. — De hete soep verbrandde mijn tong.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek


Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)

Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
hewan het dier Hewan liar hidup bebas di dalam hutan. — Wilde dieren leven vrij in het bos.
anjing de hond Anjing itu berlari gembira di taman. — De hond rent vrolijk in het park.
kucing de kat Kucing itu tidur di atas sofa hangat. — De kat slaapt op de warme bank.
burung de vogel Seekor burung kecil berkicau di pohon. — Een kleine vogel zingt in de boom.
kuda het paard Kuda cokelat itu berlari melintasi padang. — Het bruine paard rent door het veld.
sapi de koe Sapi-sapi itu memakan rumput segar di padang. — Koeien eten vers gras in de wei.
babi het varken Petani itu memberi makan babi setiap pagi. — De boer voert de varkens elke ochtend.
domba het schaap Domba-domba putih merumput di bukit hijau. — Witte schapen grazen op de groene heuvel.
ayam de kip Ayam betina itu bertelur setiap pagi hari. — De kippen leggen elke ochtend verse eieren.
kelinci het konijn Kelinci putih itu suka makan wortel segar. — Het witte konijn eet graag verse wortels.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer


Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)

Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
perjalanan de reis Perjalanan akhir pekan kami sangat menyenangkan. — Onze reis naar Rome was onvergetelijk.
bandara de luchthaven Datanglah ke bandara dua jam lebih awal. — Kom twee uur eerder naar de luchthaven.
pesawat het vliegtuig Pesawat terbang itu lepas landas tepat waktu. — Het vliegtuig vertrok precies op tijd.
penerbangan de vlucht Penerbangan langsung kami memakan waktu dua jam. — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur.
paspor het paspoort Tunjukkan paspor Anda di pemeriksaan imigrasi. — Toon uw paspoort bij de grenscontrole.
tiket pesawat de instapkaart Simpan tiket naik pesawat di tanganmu. — Houd uw instapkaart bij de hand.
koper de koffer Koper yang berat ini memiliki empat roda. — Deze zware koffer heeft vier wieltjes.
ransel de rugzak Saya membawa laptop di dalam tas ransel. — Ik draag mijn laptop in een rugzak.
kereta api de trein Kereta cepat berangkat dari jalur tiga. — De sneltrein vertrekt van spoor drie.
stasiun kereta het treinstation Temui saya di depan stasiun kereta. — Wacht op mij voor het treinstation.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen


Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)

Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
kota stad Kota ini sangat ramai. — Deze stad is erg levendig.
desa dorp Mereka tinggal di desa tenang. — Ze wonen in een rustig dorp.
pusat kota centrum Mari bertemu di pusat kota. — We gaan vandaag naar het centrum.
alun-alun plein Alun-alun kota sangat ramai. — Het grote plein is druk.
taman park Anak-anak bermain di taman. — Kinderen spelen in het park.
supermarket supermarkt Saya belanja di supermarket. — Ik koop eten in de supermarkt.
pasar markt Ada buah segar di pasar. — Er is vers fruit op de markt.
toko roti bakkerij Toko roti ini menjual roti segar. — De bakkerij verkoopt vers brood.
toko buku boekhandel Dia membeli novel di toko buku. — Ik koop een boek in de boekhandel.
toko pakaian kledingwinkel Toko pakaian ini menjual jaket. — Deze kledingwinkel heeft jassen.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen


Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)

School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
sekolah school Sekolah dimulai pukul delapan. — De school begint om acht uur.
universitas universiteit Dia kuliah di universitas itu. — Ze studeert aan de universiteit.
ruang kelas klasokaal Ruang kelas ini sangat bersih. — Het klaslokaal is erg licht.
pelajaran les Pelajaran hari ini sangat mudah. — De les begint om tien uur.
pekerjaan rumah huiswerk Saya sudah menyelesaikan PR. — Ik maak nu mijn huiswerk.
ujian examen Dia lulus ujian akhir. — Ze is geslaagd voor het examen.
buku boek Buku ini punya cerita bagus. — Dit boek heeft een mooi verhaal.
buku catatan schrift Tulis itu di buku catatanmu. — Schrijf de woorden in je schrift.
halaman pagina Buka buku halaman sepuluh. — Lees nu pagina tien.
pulpen pen Boleh saya pinjam pulpen biru? — Mag ik jouw pen lenen?

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen


Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)

Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
adalah zijn Dia adalah teman baik saya. — Ik ben helemaal klaar.
punya hebben Kami punya dua anjing lucu. — We hebben een grote tuin.
pergi gaan Saya pergi ke kantor pagi. — Ik ga morgen naar Amsterdam.
datang komen Silakan datang ke pesta kami. — Kom je vanavond bij ons?
membuat maken Dia membuat kopi setiap pagi. — Zij maakt een lekkere taart.
makan eten Kami makan siang bersama. — We eten om zes uur.
minum drinken Minumlah banyak air putih. — Ik drink graag koude melk.
tidur slapen Bayi itu tidur dengan nyenyak. — Ik slaap acht uur per nacht.
bangun wakker worden Saya bangun pukul enam pagi. — Ik word om zeven uur wakker.
berbicara spreken Dia berbicara tiga bahasa. — Zij spreekt vloeiend Frans.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden


Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)

Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
besar groot Mereka punya rumah besar. — Ze wonen in een groot huis.
kecil klein Tas kecil ini sangat praktis. — Dit is een klein kopje.
bagus goed Itu adalah ide yang bagus. — Dat is een goed idee.
buruk slecht Cuaca hari ini cukup buruk. — Het weer is vandaag slecht.
baru nieuw Saya membeli sepatu baru. — Ik heb een nieuwe fiets.
tua oud Benteng itu sudah sangat tua. — Dat kasteel is heel oud.
muda jong Dokter baru itu masih muda. — De jonge hond rent snel.
panas heet Hati-hati, sup ini panas. — Pas op, de soep is heet.
dingin koud Air sungai itu sangat dingin. — De winterwind is erg koud.
hangat warm Kenakan jaket wol yang hangat. — Draag vandaag een warme trui.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen


Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)

Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.

Woord (Bahasa Indonesia) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
senang blij Dia senang mendengar kabar itu. — Ik ben erg blij vandaag.
sedih verdrietig Akhir film itu terasa sedih. — Het einde van de film is verdrietig.
lelah moe Saya merasa lelah setelah berlari. — Ik ben moe na het sporten.
marah boos Jangan marah kepada saya. — Wees alsjeblieft niet boos.
tenang kalm Laut biru itu sangat tenang. — De blauwe zee is kalm.
gugup zenuwachtig Saya gugup sebelum ujian. — Ik ben zenuwachtig voor de test.
bersemangat enthousiast Anak-anak antusias liburan. — De kinderen zijn erg enthousiast.
terkejut verrast Dia terkejut melihat hadiah itu. — Hij was verrast door het cadeau.
bangga trots Orang tuanya bangga padanya. — Haar ouders zijn trots op haar.
khawatir bezorgd Jangan khawatir soal hujan. — Maak je maar niet bezorgd.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Bahasa Indonesia (Indonesian) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's


Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition

Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.