Language Learning (CEFR A1–C2) Nederlands 15 Interactive Flashcard Decks

De beste flashcard-sets om Français (French) woordenschat te leren: A1–B2 Gids

Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het Français (French) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.

Klaar om direct te beginnen met oefenen?

Om vol vertrouwen Français (French) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).


Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt

Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.


De 15 essentiële thematische Français flashcard-sets (480 kernwoorden)

Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)

Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
Salut Hallo Salut, comment va ta journée ? — Hallo, hoe is je dag?
Bonjour Goedemorgen Bonjour, avez-vous bien dormi ? — Goedemorgen, heb je goed geslapen?
Bon après-midi Goedemiddag Bon après-midi à vous tous. — Goedemiddag, welkom in onze winkel.
Bonsoir Goedenavond Bonsoir, le dîner est prêt. — Goedenavond, het eten is klaar.
Bonne nuit Welterusten Bonne nuit, fais de beaux rêves. — Welterusten, slaap lekker vannacht.
Au revoir Tot ziens Au revoir, à très bientôt. — Tot ziens, tot snel weer.
À demain Tot morgen À demain matin au bureau. — Tot morgenochtend op het werk.
S'il vous plaît Alsjeblieft Un café, s'il vous plaît. — Geef me het water, alsjeblieft.
Merci Dank je Merci pour votre aide précieuse. — Dank je voor je hulp.
Merci beaucoup Hartelijk dank Merci beaucoup pour ce cadeau. — Hartelijk dank voor alles vandaag.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen


Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)

Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
un (1) één (1) J'ai un billet pour aujourd'hui. — Ik heb één kaartje voor vandaag.
deux (2) twee (2) Une table pour deux personnes. — Een tafel voor twee personen.
trois (3) drie (3) Nous avons trois chats chez nous. — We hebben drie katten thuis.
quatre (4) vier (4) Il y a quatre chaises ici. — Er staan hier vier stoelen.
cinq (5) vijf (5) Donnez-moi cinq minutes, merci. — Geef me alsjeblieft vijf minuten.
six (6) zes (6) Je me lève à six heures. — Ik sta om zes uur op.
sept (7) zeven (7) La semaine compte sept jours. — Een week heeft zeven dagen.
huit (8) acht (8) Le cours commence à huit heures. — De les begint om acht uur.
neuf (9) negen (9) Le train part à neuf heures. — De trein vertrekt om negen uur.
dix (10) tien (10) Ce livre coûte dix euros. — Dit boek kost tien euro.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd


Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)

Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
la maison het huis Notre maison est près du parc. — Ons huis staat in een rustige straat.
l'appartement het appartement J'habite dans un bel appartement. — Ik huur een licht appartement.
la pièce de kamer Cette pièce est très claire. — Deze kamer heeft grote ramen.
la cuisine de keuken Il prépare le repas dans la cuisine. — We koken samen in de keuken.
la chambre de slaapkamer Ma chambre donne sur le jardin. — De slaapkamer ligt aan de achterkant.
la salle de bain de badkamer La salle de bain est propre. — De badkamer is net schoongemaakt.
le salon de woonkamer Nous lisons dans le salon. — We zitten gezellig in de woonkamer.
le jardin de tuin Les enfants jouent dans le jardin. — We drinken thee in de tuin.
la chaise de stoel Cette chaise en bois est confortable. — Deze houten stoel zit lekker.
la table de tafel Le repas est sur la table. — De borden staan op de tafel.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen


Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)

Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
l'eau het water Un verre d'eau fraîche, merci. — Een glas koud water, alsjeblieft.
le pain het brood Le pain frais sent très bon. — Dit verse brood ruikt heerlijk.
le café de koffie Je prends un café noir le matin. — Wil je een kopje warme koffie?
le thé de thee Je bois du thé vert au citron. — Ik drink graag groene thee.
le lait de melk J'achète une bouteille de lait frais. — Drink je koffie met melk?
le jus het sap Un verre de jus d'orange frais. — Ik drink graag vers sinaasappelsap.
le vin de wijn Un verre de vin rouge à table. — Een glas witte wijn bij de vis.
la bière het bier Une bière blonde bien fraîche. — Twee koude biertjes op het terras.
le fromage de kaas Un plateau de fromages français. — Een boterham met oude kaas.
le beurre de boter Une tartine de pain avec du beurre. — Smeer wat roomboter op je brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant


Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)

Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
le fruit het fruit Les fruits frais sont pleins de vitamines. — Vers fruit bevat veel vitamines.
la pomme de appel Je croque dans une pomme rouge. — Ik eet elke dag een appel.
la banane de banaan Cette banane jaune est bien mûre. — Een rijpe gele banaan voor onderweg.
l'orange de sinaasappel Cette orange est pleine de jus. — Ik pel een sappige sinaasappel.
le citron de citroen Le jus de citron est acide. — Een schijfje citroen in de thee.
la fraise de aardbei Les fraises rouges du jardin. — Zomerse aardbeien met slagroom.
le raisin de druif Une grappe de raisin noir. — Een tros witte pitloze druiven.
la pêche de perzik Une pêche jaune bien juteuse. — Een zachte en zoete zomerperzik.
la pastèque de watermeloen Une tranche de pastèque fraîche. — Een stuk koude watermeloen.
l'ananas de ananas Cet ananas frais est très parfumé. — Snijd de verse ananas in stukjes.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt


Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)

Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
la famille de familie Ma famille habite dans cette ville. — Mijn familie woont in deze stad.
la mère de moeder Ma mère cuisine de bons plats chaque jour. — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten.
le père de vader Mon père travaille dans un hôpital local. — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis.
les parents de ouders Mes parents voyagent à la plage chaque été. — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee.
le frère de broer Mon frère joue de la guitare. — Mijn broer speelt gitaar in een band.
la sœur de zus Ma sœur étudie la médecine à l'université. — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit.
le fils de zoon Leur fils va à l'école primaire. — Hun zoon gaat nu naar de basisschool.
la fille de dochter Leur fille adore dessiner des images. — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes.
le grand-père de grootvader Mon grand-père raconte de belles histoires. — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen.
la grand-mère de grootmoeder Ma grand-mère fait du pain le dimanche. — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Familie, mensen, vrienden en relaties


Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)

Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
les vêtements de kleding Je prends des vêtements propres pour voyager. — Ik pak schone kleding in voor de reis.
la chemise het overhemd Il porte une chemise blanche au bureau. — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor.
le t-shirt het T-shirt Je porte un t-shirt en coton l'été. — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt.
le pull de trui Ce pull en laine tient chaud en hiver. — Deze wollen trui houdt mij lekker warm.
la veste het jasje Mets ta veste avant de sortir. — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat.
le manteau de winterjas Elle a accroché son manteau près de l'entrée. — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur.
le costume het pak Il a acheté un costume sombre pour le mariage. — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft.
la robe de jurk Elle porte une jolie robe d'été aujourd'hui. — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk.
la jupe de rok Cette jupe va bien avec son chemisier. — Deze rok past goed bij haar blouse.
le pantalon de broek Ce pantalon noir est un peu trop long. — Deze zwarte broek is net iets te lang.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren


Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)

Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
le corps het lichaam Le sport garde le corps fort. — Beweging houdt het lichaam gezond.
la tête het hoofd Il a hoché la tête. — Hij knikte instemmend met zijn hoofd.
les cheveux het haar Elle se brosse les cheveux chaque matin. — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar.
le visage het gezicht Je me lave le visage à l'eau froide. — Ik was mijn gezicht met koud water.
l'œil het oog Elle a fermé les yeux pour dormir. — Ze sloot haar ogen en viel in slaap.
l'oreille het oor Elle a murmuré à mon oreille. — Ze fluisterde een geheim in mijn oor.
le nez de neus J'ai le nez froid à cause du vent. — Mijn neus is koud door de wind.
la bouche de mond Ouvrez grand la bouche chez le dentiste. — Doe je mond wijd open bij de tandarts.
la dent de tand Je me brosse les dents deux fois par jour. — Ik poets mijn tanden twee keer per dag.
la langue de tong La soupe chaude m'a brûlé la langue. — De hete soep verbrandde mijn tong.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek


Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)

Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
l'animal het dier Les animaux sauvages vivent dans la forêt. — Wilde dieren leven vrij in het bos.
le chien de hond Le chien court dans le parc. — De hond rent vrolijk in het park.
le chat de kat Le chat dort sur le canapé. — De kat slaapt op de warme bank.
l'oiseau de vogel Un petit oiseau chante dans l'arbre. — Een kleine vogel zingt in de boom.
le cheval het paard Le cheval brun galope dans le pré. — Het bruine paard rent door het veld.
la vache de koe Les vaches mangent de l'herbe fraîche. — Koeien eten vers gras in de wei.
le cochon het varken Le fermier nourrit les cochons le matin. — De boer voert de varkens elke ochtend.
le mouton het schaap Les moutons blancs broutent sur la colline. — Witte schapen grazen op de groene heuvel.
la poule de kip Les poules pondent des œufs frais. — De kippen leggen elke ochtend verse eieren.
le lapin het konijn Le lapin blanc adore manger des carottes. — Het witte konijn eet graag verse wortels.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer


Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)

Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
le voyage de reis Notre voyage à Rome était inoubliable. — Onze reis naar Rome was onvergetelijk.
l'aéroport de luchthaven Arrivez à l'aéroport deux heures avant. — Kom twee uur eerder naar de luchthaven.
l'avion het vliegtuig L'avion a décollé à l'heure. — Het vliegtuig vertrok precies op tijd.
le vol de vlucht Notre vol direct dure deux heures. — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur.
le passeport het paspoort Montrez votre passeport au contrôle. — Toon uw paspoort bij de grenscontrole.
la carte d'embarquement de instapkaart Gardez votre carte d'embarquement. — Houd uw instapkaart bij de hand.
la valise de koffer Cette valise lourde a quatre roues. — Deze zware koffer heeft vier wieltjes.
le sac à dos de rugzak Je porte mon ordinateur dans un sac à dos. — Ik draag mijn laptop in een rugzak.
le train de trein Le train rapide part du quai trois. — De sneltrein vertrekt van spoor drie.
la gare het treinstation Retrouve-moi devant la gare centrale. — Wacht op mij voor het treinstation.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen


Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)

Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
ville stad Cette ville est très animée. — Deze stad is erg levendig.
village dorp Ils habitent un village calme. — Ze wonen in een rustig dorp.
centre-ville centrum Allons au centre-ville aujourd'hui. — We gaan vandaag naar het centrum.
place plein La place principale est animée. — Het grote plein is druk.
parc park Les enfants jouent dans le parc. — Kinderen spelen in het park.
supermarché supermarkt J'achète à manger au supermarché. — Ik koop eten in de supermarkt.
marché markt Il y a des fruits au marché. — Er is vers fruit op de markt.
boulangerie bakkerij J'achète du pain à la boulangerie. — De bakkerij verkoopt vers brood.
librairie boekhandel Je cherche un roman à la librairie. — Ik koop een boek in de boekhandel.
magasin de vêtements kledingwinkel Ce magasin vend des vestes. — Deze kledingwinkel heeft jassen.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen


Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)

School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
école school L'école commence à huit heures. — De school begint om acht uur.
université universiteit Elle étudie à l'université. — Ze studeert aan de universiteit.
salle de classe klasokaal La salle de classe est grande. — Het klaslokaal is erg licht.
leçon les La leçon d'aujourd'hui est simple. — De les begint om tien uur.
devoirs huiswerk J'ai fini mes devoirs. — Ik maak nu mijn huiswerk.
examen examen Elle a réussi son examen. — Ze is geslaagd voor het examen.
livre boek Ce livre est très intéressant. — Dit boek heeft een mooi verhaal.
cahier schrift Prends des notes dans ton cahier. — Schrijf de woorden in je schrift.
page pagina Ouvrez le livre à la page dix. — Lees nu pagina tien.
stylo pen J'écris avec un stylo noir. — Mag ik jouw pen lenen?

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen


Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)

Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
être zijn Je suis prêt à partir. — Ik ben helemaal klaar.
avoir hebben Nous avons deux petits chiens. — We hebben een grote tuin.
aller gaan Je vais au travail tôt. — Ik ga morgen naar Amsterdam.
venir komen Viens dîner chez nous demain. — Kom je vanavond bij ons?
faire maken Je fais du sport le matin. — Zij maakt een lekkere taart.
manger eten Nous mangeons à midi pile. — We eten om zes uur.
boire drinken Je bois un verre d'eau. — Ik drink graag koude melk.
dormir slapen Le bébé dort profondément. — Ik slaap acht uur per nacht.
se réveiller wakker worden Je me réveille à six heures. — Ik word om zeven uur wakker.
parler spreken Il parle très bien espagnol. — Zij spreekt vloeiend Frans.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden


Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)

Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
grand groot Ils ont un grand jardin. — Ze wonen in een groot huis.
petit klein C'est un petit café calme. — Dit is een klein kopje.
bon goed C'est une très bonne idée. — Dat is een goed idee.
mauvais slecht Il fait mauvais temps dehors. — Het weer is vandaag slecht.
nouveau nieuw J'ai acheté un nouveau manteau. — Ik heb een nieuwe fiets.
vieux oud Ce château est très vieux. — Dat kasteel is heel oud.
jeune jong Le jeune médecin est sympa. — De jonge hond rent snel.
chaud heet Attention, la soupe est chaude. — Pas op, de soep is heet.
froid koud Le vent d'hiver est froid. — De winterwind is erg koud.
tiède warm Bois un verre d'eau tiède. — Draag vandaag een warme trui.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen


Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)

Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.

Woord (Français) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
heureux blij Je suis très heureux aujourd'hui. — Ik ben erg blij vandaag.
triste verdrietig La fin du film est triste. — Het einde van de film is verdrietig.
fatigué moe Je suis fatigué ce soir. — Ik ben moe na het sporten.
fâché boos Ne sois pas fâché contre moi. — Wees alsjeblieft niet boos.
calme kalm La mer est très calme. — De blauwe zee is kalm.
nerveux zenuwachtig Il est nerveux avant l'examen. — Ik ben zenuwachtig voor de test.
enthousiaste enthousiast Les enfants sont ravis. — De kinderen zijn erg enthousiast.
surpris verrast Il était surpris par le cadeau. — Hij was verrast door het cadeau.
fier trots Ses parents sont fiers d'elle. — Haar ouders zijn trots op haar.
inquiet bezorgd Ne sois pas inquiet pour moi. — Maak je maar niet bezorgd.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Français (French) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's


Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition

Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.