De beste flashcard-sets om Español (Spanish) woordenschat te leren: A1–B2 Gids
Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het Español (Spanish) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.
Interactive Premade Curricula
Spanish Flashcard Decks (15)
Select any deck below to study cards with active recall, audio pronunciation, and FSRS spaced repetition, or filter by difficulty level.
Español (Spanish) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen
Español (Spanish) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd
Español (Spanish) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen
Español (Spanish) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant
Español (Spanish) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt
Español (Spanish) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Español (Spanish) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren
Español (Spanish) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek
Español (Spanish) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Español (Spanish) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen
Español (Spanish) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen
Español (Spanish) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen
Español (Spanish) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden
Español (Spanish) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen
Español (Spanish) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's
Klaar om direct te beginnen met oefenen?
Om vol vertrouwen Español (Spanish) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).
Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt
Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.
De 15 essentiële thematische Español flashcard-sets (480 kernwoorden)
Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)
Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| Hola | Hallo | Hola, ¿cómo va tu día? — Hallo, hoe is je dag? |
| Buenos días | Goedemorgen | Buenos días, ¿dormiste bien? — Goedemorgen, heb je goed geslapen? |
| Buenas tardes | Goedemiddag | Buenas tardes, bienvenido a la tienda. — Goedemiddag, welkom in onze winkel. |
| Buenas tardes | Goedenavond | Buenas tardes, la cena está lista. — Goedenavond, het eten is klaar. |
| Buenas noches | Welterusten | Buenas noches, que duermas muy bien. — Welterusten, slaap lekker vannacht. |
| Adiós | Tot ziens | Adiós, nos vemos muy pronto. — Tot ziens, tot snel weer. |
| Hasta mañana | Tot morgen | Hasta mañana por la mañana. — Tot morgenochtend op het werk. |
| Por favor | Alsjeblieft | Pásame el agua, por favor. — Geef me het water, alsjeblieft. |
| Gracias | Dank je | Gracias por tu amable ayuda. — Dank je voor je hulp. |
| Muchas gracias | Hartelijk dank | Muchas gracias por todo hoy. — Hartelijk dank voor alles vandaag. |
Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)
Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| uno (1) | één (1) | Tengo un boleto para hoy. — Ik heb één kaartje voor vandaag. |
| dos (2) | twee (2) | Una mesa para dos personas. — Een tafel voor twee personen. |
| tres (3) | drie (3) | Tenemos tres gatos en casa. — We hebben drie katten thuis. |
| cuatro (4) | vier (4) | Hay cuatro sillas en la sala. — Er staan hier vier stoelen. |
| cinco (5) | vijf (5) | Dame cinco minutos, por favor. — Geef me alsjeblieft vijf minuten. |
| seis (6) | zes (6) | Me levanto a las seis. — Ik sta om zes uur op. |
| siete (7) | zeven (7) | La semana tiene siete días. — Een week heeft zeven dagen. |
| ocho (8) | acht (8) | El trabajo empieza a las ocho. — De les begint om acht uur. |
| nueve (9) | negen (9) | El tren sale a las nueve. — De trein vertrekt om negen uur. |
| diez (10) | tien (10) | Este libro cuesta diez euros. — Dit boek kost tien euro. |
Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)
Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| la casa | het huis | Nuestra casa es muy grande. — Ons huis staat in een rustige straat. |
| el apartamento | het appartement | Alquilo un piso en el centro. — Ik huur een licht appartement. |
| la habitación | de kamer | Esta habitación tiene mucha luz. — Deze kamer heeft grote ramen. |
| la cocina | de keuken | Cocinamos juntos en la cocina. — We koken samen in de keuken. |
| el dormitorio | de slaapkamer | El dormitorio está en el piso alto. — De slaapkamer ligt aan de achterkant. |
| el baño | de badkamer | Me lavo las manos en el baño. — De badkamer is net schoongemaakt. |
| la sala de estar | de woonkamer | Vemos la tele en el salón. — We zitten gezellig in de woonkamer. |
| el jardín | de tuin | Hay flores bonitas en el jardín. — We drinken thee in de tuin. |
| la silla | de stoel | La silla está junto a la mesa. — Deze houten stoel zit lekker. |
| la mesa | de tafel | La comida está en la mesa. — De borden staan op de tafel. |
Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)
Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| el agua | het water | Un vaso de agua fría, por favor. — Een glas koud water, alsjeblieft. |
| el pan | het brood | Compro pan caliente en la panadería. — Dit verse brood ruikt heerlijk. |
| el café | de koffie | Tomo un café negro sin azúcar. — Wil je een kopje warme koffie? |
| el té | de thee | ¿Quieres una taza de té verde? — Ik drink graag groene thee. |
| la leche | de melk | Pongo un poco de leche al café. — Drink je koffie met melk? |
| el jugo / zumo | het sap | Un zumo de naranja natural. — Ik drink graag vers sinaasappelsap. |
| el vino | de wijn | Una copa de vino tinto, por favor. — Een glas witte wijn bij de vis. |
| la cerveza | het bier | Dos cervezas frías, por favor. — Twee koude biertjes op het terras. |
| el queso | de kaas | Me gusta el pan con queso. — Een boterham met oude kaas. |
| la mantequilla | de boter | Unta mantequilla en la tostada. — Smeer wat roomboter op je brood. |
Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)
Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| la fruta | het fruit | La fruta fresca tiene vitaminas. — Vers fruit bevat veel vitamines. |
| la manzana | de appel | Esta manzana roja es dulce. — Ik eet elke dag een appel. |
| el plátano / banano | de banaan | El plátano amarillo está maduro. — Een rijpe gele banaan voor onderweg. |
| la naranja | de sinaasappel | Esta naranja tiene mucho jugo. — Ik pel een sappige sinaasappel. |
| el limón | de citroen | El limón amarillo es muy ácido. — Een schijfje citroen in de thee. |
| la fresa / frutilla | de aardbei | Me encantan las fresas con nata. — Zomerse aardbeien met slagroom. |
| la uva | de druif | Compré un racimo de uvas dulces. — Een tros witte pitloze druiven. |
| el melocotón / durazno | de perzik | El durazno maduro es jugoso. — Een zachte en zoete zomerperzik. |
| la sandía | de watermeloen | La sandía fría refresca en verano. — Een stuk koude watermeloen. |
| la piña / el ananá | de ananas | La piña tropical es jugosa. — Snijd de verse ananas in stukjes. |
Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)
Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| la familia | de familie | Mi familia vive en esta ciudad. — Mijn familie woont in deze stad. |
| la madre | de moeder | Mi madre cocina comida deliciosa cada día. — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten. |
| el padre | de vader | Mi padre trabaja en un hospital local. — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis. |
| los padres | de ouders | Mis padres viajan a la playa cada verano. — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee. |
| el hermano | de broer | Mi hermano toca la guitarra en un grupo. — Mijn broer speelt gitaar in een band. |
| la hermana | de zus | Mi hermana estudia medicina en la universidad. — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit. |
| el hijo | de zoon | Su hijo va a la escuela primaria. — Hun zoon gaat nu naar de basisschool. |
| la hija | de dochter | A su hija le encanta dibujar cuadros. — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes. |
| el abuelo | de grootvader | Mi abuelo cuenta grandes historias cada tarde. — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen. |
| la abuela | de grootmoeder | Mi abuela hornea pan fresco los domingos. — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Español (Spanish) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)
Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| la ropa | de kleding | Empaco ropa limpia para el viaje. — Ik pak schone kleding in voor de reis. |
| la camisa | het overhemd | Él lleva una camisa blanca a la oficina. — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor. |
| la camiseta | het T-shirt | Uso una camiseta de algodón en verano. — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt. |
| el suéter | de trui | Este suéter de lana abriga mucho en invierno. — Deze wollen trui houdt mij lekker warm. |
| la chaqueta | het jasje | Ponte la chaqueta antes de salir. — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat. |
| el abrigo | de winterjas | Ella colgó su abrigo junto a la puerta. — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur. |
| el traje | het pak | Compró un traje oscuro para la boda. — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft. |
| el vestido | de jurk | Ella lleva hoy un elegante vestido de verano. — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk. |
| la falda | de rok | Esta falda combina muy bien con su blusa. — Deze rok past goed bij haar blouse. |
| los pantalones | de broek | Estos pantalones negros son un poco largos. — Deze zwarte broek is net iets te lang. |
Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)
Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| el cuerpo | het lichaam | El ejercicio mantiene el cuerpo fuerte. — Beweging houdt het lichaam gezond. |
| la cabeza | het hoofd | Él asintió con la cabeza. — Hij knikte instemmend met zijn hoofd. |
| el pelo | het haar | Ella se cepilla el pelo cada mañana. — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar. |
| la cara | het gezicht | Me lavo la cara con agua fría. — Ik was mijn gezicht met koud water. |
| el ojo | het oog | Ella cerró los ojos y se durmió. — Ze sloot haar ogen en viel in slaap. |
| la oreja | het oor | Ella me susurró algo al oído. — Ze fluisterde een geheim in mijn oor. |
| la nariz | de neus | Tengo la nariz fría por el viento. — Mijn neus is koud door de wind. |
| la boca | de mond | Abre bien la boca en el dentista. — Doe je mond wijd open bij de tandarts. |
| el diente | de tand | Me cepillo los dientes dos veces al día. — Ik poets mijn tanden twee keer per dag. |
| la lengua | de tong | La sopa caliente me quemó la lengua. — De hete soep verbrandde mijn tong. |
Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)
Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| el animal | het dier | Los animales salvajes viven en el bosque. — Wilde dieren leven vrij in het bos. |
| el perro | de hond | El perro corre feliz en el parque. — De hond rent vrolijk in het park. |
| el gato | de kat | El gato duerme en el sofá cálido. — De kat slaapt op de warme bank. |
| el pájaro | de vogel | Un pájaro pequeño canta en el árbol. — Een kleine vogel zingt in de boom. |
| el caballo | het paard | El caballo marrón galopa por el campo. — Het bruine paard rent door het veld. |
| la vaca | de koe | Las vacas comen hierba en el prado. — Koeien eten vers gras in de wei. |
| el cerdo | het varken | El granjero alimenta a los cerdos temprano. — De boer voert de varkens elke ochtend. |
| la oveja | het schaap | Las ovejas blancas pastan en la colina. — Witte schapen grazen op de groene heuvel. |
| la gallina | de kip | Las gallinas ponen huevos frescos cada día. — De kippen leggen elke ochtend verse eieren. |
| el conejo | het konijn | Al conejo blanco le encantan las zanahorias. — Het witte konijn eet graag verse wortels. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Español (Spanish) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)
Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| el viaje | de reis | Nuestro viaje a Roma fue inolvidable. — Onze reis naar Rome was onvergetelijk. |
| el aeropuerto | de luchthaven | Llega al aeropuerto dos horas antes. — Kom twee uur eerder naar de luchthaven. |
| el avión | het vliegtuig | El avión despegó a tiempo hoy. — Het vliegtuig vertrok precies op tijd. |
| el vuelo | de vlucht | Nuestro vuelo directo dura dos horas. — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur. |
| el pasaporte | het paspoort | Muestra tu pasaporte en el control. — Toon uw paspoort bij de grenscontrole. |
| la tarjeta de embarque | de instapkaart | Guarda tu tarjeta de embarque. — Houd uw instapkaart bij de hand. |
| la maleta | de koffer | Esta maleta pesada tiene cuatro ruedas. — Deze zware koffer heeft vier wieltjes. |
| la mochila | de rugzak | Llevo mi portátil en una mochila. — Ik draag mijn laptop in een rugzak. |
| el tren | de trein | El tren rápido sale del andén tres. — De sneltrein vertrekt van spoor drie. |
| la estación de tren | het treinstation | Nos vemos frente a la estación. — Wacht op mij voor het treinstation. |
Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)
Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| ciudad | stad | Esta ciudad es muy animada. — Deze stad is erg levendig. |
| pueblo | dorp | Viven en un pueblo tranquilo. — Ze wonen in een rustig dorp. |
| centro | centrum | Vamos al centro hoy. — We gaan vandaag naar het centrum. |
| plaza | plein | La plaza mayor está llena. — Het grote plein is druk. |
| parque | park | Los niños juegan en el parque. — Kinderen spelen in het park. |
| supermercado | supermarkt | Compro comida en el supermercado. — Ik koop eten in de supermarkt. |
| mercado | markt | Hay fruta fresca en el mercado. — Er is vers fruit op de markt. |
| panadería | bakkerij | Compro pan en la panadería. — De bakkerij verkoopt vers brood. |
| librería | boekhandel | Busco una novela en la librería. — Ik koop een boek in de boekhandel. |
| tienda de ropa | kledingwinkel | Esta tienda de ropa es nueva. — Deze kledingwinkel heeft jassen. |
Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)
School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| escuela | school | La escuela empieza a las ocho. — De school begint om acht uur. |
| universidad | universiteit | Ella estudia en la universidad. — Ze studeert aan de universiteit. |
| aula | klasokaal | El aula tiene ventanas grandes. — Het klaslokaal is erg licht. |
| lección | les | La lección de hoy es fácil. — De les begint om tien uur. |
| tarea | huiswerk | Terminé mi tarea temprano. — Ik maak nu mijn huiswerk. |
| examen | examen | Aprobé el examen de historia. — Ze is geslaagd voor het examen. |
| libro | boek | Este libro es muy interesante. — Dit boek heeft een mooi verhaal. |
| cuaderno | schrift | Escribo notas en mi cuaderno. — Schrijf de woorden in je schrift. |
| página | pagina | Abre el libro en la página diez. — Lees nu pagina tien. |
| bolígrafo | pen | Necesito un bolígrafo azul. — Mag ik jouw pen lenen? |
Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)
Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| ser | zijn | Ella es mi mejor amiga. — Ik ben helemaal klaar. |
| tener | hebben | Tengo dos perros en casa. — We hebben een grote tuin. |
| ir | gaan | Voy al trabajo en autobús. — Ik ga morgen naar Amsterdam. |
| venir | komen | ¿Puedes venir a mi casa? — Kom je vanavond bij ons? |
| hacer | maken | Hago café por la mañana. — Zij maakt een lekkere taart. |
| comer | eten | Comemos juntos al mediodía. — We eten om zes uur. |
| beber | drinken | Bebo un vaso de agua. — Ik drink graag koude melk. |
| dormir | slapen | Duermo ocho horas cada noche. — Ik slaap acht uur per nacht. |
| despertarse | wakker worden | Me despierto a las seis. — Ik word om zeven uur wakker. |
| hablar | spreken | Ella habla tres idiomas bien. — Zij spreekt vloeiend Frans. |
Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)
Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| grande | groot | Tienen un jardín muy grande. — Ze wonen in een groot huis. |
| pequeño | klein | Tengo un perro pequeño. — Dit is een klein kopje. |
| bueno | goed | Este café es muy bueno. — Dat is een goed idee. |
| malo | slecht | Hoy hace mal tiempo. — Het weer is vandaag slecht. |
| nuevo | nieuw | Compré unos zapatos nuevos. — Ik heb een nieuwe fiets. |
| viejo | oud | Ese puente de piedra es viejo. — Dat kasteel is heel oud. |
| joven | jong | Mi hermano menor es joven. — De jonge hond rent snel. |
| caliente | heet | La sopa está muy caliente. — Pas op, de soep is heet. |
| frío | koud | El agua del río está fría. — De winterwind is erg koud. |
| cálido | warm | Hoy hace un día cálido. — Draag vandaag een warme trui. |
Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)
Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.
| Woord (Español) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| feliz | blij | Estoy muy feliz por ti. — Ik ben erg blij vandaag. |
| triste | verdrietig | El final de la película es triste. — Het einde van de film is verdrietig. |
| cansado | moe | Estoy cansado después del viaje. — Ik ben moe na het sporten. |
| enfadado | boos | No estés enfadado conmigo. — Wees alsjeblieft niet boos. |
| tranquilo | kalm | El mar está muy tranquilo. — De blauwe zee is kalm. |
| nervioso | zenuwachtig | Estoy un poco nervioso hoy. — Ik ben zenuwachtig voor de test. |
| emocionado | enthousiast | Estoy emocionado por el viaje. — De kinderen zijn erg enthousiast. |
| sorprendido | verrast | Quedé sorprendido con el regalo. — Hij was verrast door het cadeau. |
| orgulloso | trots | Estoy orgulloso de tu éxito. — Haar ouders zijn trots op haar. |
| preocupado | bezorgd | No estés preocupado por nada. — Maak je maar niet bezorgd. |
Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition
Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.