Language Learning (CEFR A1–C2) Nederlands 15 Interactive Flashcard Decks

De beste flashcard-sets om 日本語 (Japanese) woordenschat te leren: A1–B2 Gids

Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het 日本語 (Japanese) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.

Klaar om direct te beginnen met oefenen?

Om vol vertrouwen 日本語 (Japanese) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).


Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt

Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.


De 15 essentiële thematische 日本語 flashcard-sets (480 kernwoorden)

Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)

Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
こんにちは (konnichiwa) Hallo こんにちは、お元気ですか (konnichiwa, ogenki desu ka) — Hallo, hoe is je dag?
おはよう (ohayō) Goedemorgen おはようございます、いい朝ですね (ohayō gozaimasu, ii asa desu ne) — Goedemorgen, heb je goed geslapen?
こんにちは (konnichiwa) Goedemiddag こんにちは、ようこそ (konnichiwa, yōkoso) — Goedemiddag, welkom in onze winkel.
こんばんは (konbanwa) Goedenavond こんばんは、いい夜ですね (konbanwa, ii yoru desu ne) — Goedenavond, het eten is klaar.
おやすみ (oyasumi) Welterusten おやすみなさい、また明日 (oyasuminasai, mata ashita) — Welterusten, slaap lekker vannacht.
さようなら (sayōnara) Tot ziens さようなら、また会いましょう (sayōnara, mata aimashō) — Tot ziens, tot snel weer.
また明日 (mata ashita) Tot morgen また明日会いましょう (mata ashita aimashō) — Tot morgenochtend op het werk.
お願いします (onegaishimasu) Alsjeblieft 水をお願いします (mizu o onegaishimasu) — Geef me het water, alsjeblieft.
ありがとう (arigatō) Dank je 手伝ってくれてありがとう (tetsudatte kurete arigatō) — Dank je voor je hulp.
どうもありがとう (dōmo arigatō) Hartelijk dank 本当にありがとうございます (hontō ni arigatō gozaimasu) — Hartelijk dank voor alles vandaag.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen


Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)

Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
一 (いち / ichi) één (1) 切符が一枚あります (kippu ga ichimai arimasu) — Ik heb één kaartje voor vandaag.
二 (に / ni) twee (2) 二人用のテーブルをお願いします (futariyō no tēburu o onegaishimasu) — Een tafel voor twee personen.
三 (さん / san) drie (3) 家に猫が三匹います (ie ni neko ga sanbiki imasu) — We hebben drie katten thuis.
四 (よん / yon) vier (4) 椅子が四つあります (isu ga yottsu arimasu) — Er staan hier vier stoelen.
五 (ご / go) vijf (5) 五分だけ待ってください (gofun dake matte kudasai) — Geef me alsjeblieft vijf minuten.
六 (ろく / roku) zes (6) 毎朝六時に起きます (maiasa rokuji ni okimasu) — Ik sta om zes uur op.
七 (なな / nana) zeven (7) 一週間は七日あります (isshūkan wa nanoka arimasu) — Een week heeft zeven dagen.
八 (はち / hachi) acht (8) 八時に仕事が始まります (hachiji ni shigoto ga hajimarimasu) — De les begint om acht uur.
九 (きゅう / kyū) negen (9) 九時の電車に乗ります (kuji no densha ni norimasu) — De trein vertrekt om negen uur.
十 (じゅう / jū) tien (10) りんごを十個買いました (ringo o jukko kaimashita) — Dit boek kost tien euro.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd


Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)

Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
家 (いえ / ie) het huis 私の家は駅の近くです (watashi no ie wa eki no chikaku desu) — Ons huis staat in een rustige straat.
アパート (apāto) het appartement 新しいアパートに引っ越しました (atarashii apāto ni hikkoshimashita) — Ik huur een licht appartement.
部屋 (へや / heya) de kamer 私の部屋は二階にあります (watashi no heya wa nikai ni arimasu) — Deze kamer heeft grote ramen.
台所 (だいどころ / daidokoro) de keuken 台所で料理を作ります (daidokoro de ryōri o tsukurimasu) — We koken samen in de keuken.
寝室 (しんしつ / shinshitsu) de slaapkamer 寝室はとても静かです (shinshitsu wa totemo shizuka desu) — De slaapkamer ligt aan de achterkant.
お風呂 / 浴室 (おふろ / ofuro) de badkamer 毎晩お風呂に入ります (maiban ofuro ni hairimasu) — De badkamer is net schoongemaakt.
居間 / リビング (いま / ima) de woonkamer リビングで家族と話します (ribingu de kazoku to hanashimasu) — We zitten gezellig in de woonkamer.
庭 (にわ / niwa) de tuin 庭にきれいな花が咲いています (niwa ni kirei na hana ga saite imasu) — We drinken thee in de tuin.
椅子 (いす / isu) de stoel この椅子に座ってください (kono isu ni suwatte kudasai) — Deze houten stoel zit lekker.
テーブル (tēburu) de tafel テーブルの上を拭きました (tēburu no ue o fukimashita) — De borden staan op de tafel.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen


Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)

Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
水 (みず / mizu) het water 冷たいお水をください (tsumetai omizu o kudasai) — Een glas koud water, alsjeblieft.
パン (pan) het brood パン屋で焼きたてのパンを買います (yakitate no pan o kaimasu) — Dit verse brood ruikt heerlijk.
コーヒー (kōhī) de koffie ホットコーヒーを一杯ください (hotto kōhī o ippai kudasai) — Wil je een kopje warme koffie?
お茶 (おちゃ / ocha) de thee 温かい緑茶をどうぞ (atatakai ryokucha o dōzo) — Ik drink graag groene thee.
牛乳 / ミルク (ぎゅうにゅう / gyūnyū) de melk 毎朝、新鮮な牛乳を飲みます (gyūnyū o nomimasu) — Drink je koffie met melk?
ジュース (jūsu) het sap りんごジュースを一杯お願いします (ringo jūsu o ippai onegaishimasu) — Ik drink graag vers sinaasappelsap.
ワイン (wain) de wijn 夕食に赤ワインを飲みます (yūshoku ni aka wain o nomimasu) — Een glas witte wijn bij de vis.
ビール (bīru) het bier 仕事の後で冷たいビールを飲みます (tsumetai bīru o nomimasu) — Twee koude biertjes op het terras.
チーズ (chīzu) de kaas ピザの上にチーズがたっぷりあります (chīzu ga tappuri arimasu) — Een boterham met oude kaas.
バター (batā) de boter トーストにバターを塗って食べます (tōsuto ni batā o nutte tabemasu) — Smeer wat roomboter op je brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant


Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)

Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
果物 / フルーツ (くだもの / kudamono) het fruit 季節の果物はとても甘いです (kisetsu no kudamono) — Vers fruit bevat veel vitamines.
りんご (ringo) de appel 赤くて甘いりんごを切ります (akakute amai ringo o kirimasu) — Ik eet elke dag een appel.
バナナ (banana) de banaan 朝食にバナナを一本食べます (banana o ippon tabemasu) — Een rijpe gele banaan voor onderweg.
オレンジ / みかん (orenji) de sinaasappel 甘くてみずみずしいオレンジです (amakute mizumizushii orenji) — Ik pel een sappige sinaasappel.
レモン (remon) de citroen 紅茶にレモンの輪切りを入れます (kōcha ni remon o iremasu) — Een schijfje citroen in de thee.
いちご (ichigo) de aardbei 春には甘いいちごが並びます (haru ni wa amai ichigo ga narabimasu) — Zomerse aardbeien met slagroom.
ぶどう (budō) de druif 秋はおいしいぶどうの季節です (aki wa oishii budō no kisetsu desu) — Een tros witte pitloze druiven.
桃 (もも / momo) de perzik 冷やした甘い桃を食べました (hiyashita amai momo o tabemashita) — Een zachte en zoete zomerperzik.
スイカ (suika) de watermeloen 夏休みに冷たいスイカを食べます (tsumetai suika o tabemasu) — Een stuk koude watermeloen.
パイナップル (painappuru) de ananas 南国の甘いパイナップルです (amai painappuru desu) — Snijd de verse ananas in stukjes.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt


Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)

Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
家族 (kazoku) de familie 家族はこの街にいます (kazoku wa kono machi ni imasu) — Mijn familie woont in deze stad.
母 (haha) de moeder 母は毎日料理を作ります (haha wa mainichi ryōri o tsukurimasu) — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten.
父 (chichi) de vader 父は病院で働いています (chichi wa byōin de hataraite imasu) — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis.
両親 (ryōshin) de ouders 両親は今日家にいます (ryōshin wa kyō ie ni imasu) — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee.
兄 (ani) de broer 兄はギターを弾きます (ani wa gitā o hikimasu) — Mijn broer speelt gitaar in een band.
姉 (ane) de zus 姉は大学で学んでいます (ane wa daigaku de manande imasu) — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit.
息子 (musuko) de zoon 息子は学校へ行きます (musuko wa gakkō e ikimasu) — Hun zoon gaat nu naar de basisschool.
娘 (musume) de dochter 娘は絵を描くのが好きです (musume wa e o kaku no ga suki desu) — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes.
祖父 (sofu) de grootvader 祖父は庭を散歩します (sofu wa niwa o sanpo shimasu) — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen.
祖母 (sobo) de grootmoeder 祖母は美味しいパンを焼きます (sobo wa oishii pan o yakimasu) — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Familie, mensen, vrienden en relaties


Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)

Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
服 (fuku) de kleding 旅行のために服を詰めます (ryokō no tame ni fuku o tsumemasu) — Ik pak schone kleding in voor de reis.
シャツ (shatsu) het overhemd 彼は白いシャツを着ています (kare wa shiroi shatsu o kite imasu) — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor.
Tシャツ (tīshatsu) het T-shirt 夏は綿のTシャツを着ます (natsu wa men no tīshatsu o kimasu) — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt.
セーター (sētā) de trui このセーターはとても暖かいです (kono sētā wa totemo atatakai desu) — Deze wollen trui houdt mij lekker warm.
ジャケット (jaketto) het jasje 出かける前にジャケットを着て (dekakeru mae ni jaketto o kite) — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat.
コート (kōto) de winterjas 彼女はコートをドアの横にかけた (kanojo wa kōto o doa no yoko ni kaketa) — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur.
スーツ (sūtsu) het pak 彼は結婚式に黒いスーツを着た (kare wa kekkonshiki ni kuroi sūtsu o kita) — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft.
ドレス (doresu) de jurk 彼女は素敵なドレスを着ています (kanojo wa suteki na doresu o kite imasu) — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk.
スカート (sukāto) de rok このスカートはブラウスに合います (kono sukāto wa burausu ni aimasu) — Deze rok past goed bij haar blouse.
ズボン (zubon) de broek この黒いズボンは少し長いです (kono kuroi zubon wa sukoshi nagai desu) — Deze zwarte broek is net iets te lang.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren


Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)

Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
体 (karada) het lichaam 運動は体を丈夫にします (undō wa karada o jōbu ni shimasu) — Beweging houdt het lichaam gezond.
頭 (atama) het hoofd 彼は頭を縦に振った (kare wa atama o tate ni futta) — Hij knikte instemmend met zijn hoofd.
髪 (kami) het haar 彼女は毎朝髪をとかします (kanojo wa maiasa kami o tokashimasu) — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar.
顔 (kao) het gezicht 冷たい水で顔を洗います (tsumetai mizu de kao o araimasu) — Ik was mijn gezicht met koud water.
目 (me) het oog 彼女は目を閉じて眠った (kanojo wa me o tojite nemutta) — Ze sloot haar ogen en viel in slaap.
耳 (mimi) het oor 彼女は私の耳にささやいた (kanojo wa watashi no mimi ni sasayaita) — Ze fluisterde een geheim in mijn oor.
鼻 (hana) de neus 風が冷たくて鼻が冷える (kaze ga tsumetakute hana ga hieru) — Mijn neus is koud door de wind.
口 (kuchi) de mond 大きく口を開けてください (ōkiku kuchi o akete kudasai) — Doe je mond wijd open bij de tandarts.
歯 (ha) de tand 毎日二回歯を磨きます (mainichi nikai ha o migakimasu) — Ik poets mijn tanden twee keer per dag.
舌 (shita) de tong 熱いスープで舌をやけどした (atsui sūpu de shita o yakedo shita) — De hete soep verbrandde mijn tong.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek


Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)

Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
動物 (dōbutsu) het dier 森には多くの動物がいます (mori niwa ōku no dōbutsu ga imasu) — Wilde dieren leven vrij in het bos.
犬 (いぬ / inu) de hond 犬が公園を走っています (inu ga kōen o hashitte imasu) — De hond rent vrolijk in het park.
猫 (neko) de kat 猫がソファで眠っています (neko ga sofa de nemutte imasu) — De kat slaapt op de warme bank.
鳥 (tori) de vogel 小さな鳥が木で鳴いています (chiisana tori ga ki de naite imasu) — Een kleine vogel zingt in de boom.
馬 (uma) het paard 茶色い馬が野原を走っています (chairoi uma ga nohara o hashitte imasu) — Het bruine paard rent door het veld.
牛 (ushi) de koe 牛が牧場で草を食べています (ushi ga bokujō de kusa o tabete imasu) — Koeien eten vers gras in de wei.
豚 (buta) het varken 農夫は毎朝豚に餌をやります (nōfu wa maiasa buta ni esa o yarimasu) — De boer voert de varkens elke ochtend.
羊 (hitsuji) het schaap 白い羊が丘にいます (shiroi hitsuji ga oka ni imasu) — Witte schapen grazen op de groene heuvel.
鶏 (niwatori) de kip 鶏が毎朝卵を産みます (niwatori ga maiasa tamago o umimasu) — De kippen leggen elke ochtend verse eieren.
うさぎ (usagi) het konijn 白いうさぎが人参を食べます (shiroi usagi ga ninjin o tabemasu) — Het witte konijn eet graag verse wortels.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer


Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)

Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
旅行 (ryokō) de reis 週末の旅行は楽しかったです (shūmatsu no ryokō wa tanoshikatta desu) — Onze reis naar Rome was onvergetelijk.
空港 (kūkō) de luchthaven 二時間前に空港に着きました (nijikan mae ni kūkō ni tsukimashita) — Kom twee uur eerder naar de luchthaven.
飛行機 (hikōki) het vliegtuig 飛行機は時間通りに離陸した (hikōki wa jikandōri ni ririku shita) — Het vliegtuig vertrok precies op tijd.
便 (bin) de vlucht 直行便は二時間かかります (chokkōbin wa nijikan kakarimasu) — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur.
パスポート (pasupōto) het paspoort 審査でパスポートを見せて (shinsa de pasupōto o misete) — Toon uw paspoort bij de grenscontrole.
搭乗券 (tōjōken) de instapkaart 搭乗券を手に持ってください (tōjōken o te ni motte kudasai) — Houd uw instapkaart bij de hand.
スーツケース (sūtsukēsu) de koffer このスーツケースは重いです (kono sūtsukēsu wa omoi desu) — Deze zware koffer heeft vier wieltjes.
リュック (ryukku) de rugzak リュックにパソコンを入れています (ryukku ni pasokon o irete imasu) — Ik draag mijn laptop in een rugzak.
電車 (densha) de trein 電車は三番線から出発します (densha wa sanbansen kara shuppatsu shimasu) — De sneltrein vertrekt van spoor drie.
駅 (eki) het treinstation 中央駅の前で会いましょう (chūōeki no mae de aimashō) — Wacht op mij voor het treinstation.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen


Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)

Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
街 (まち / machi) stad この街は賑やかです (kono machi wa nigiyaka desu). — Deze stad is erg levendig.
村 (むら / mura) dorp 静かな村に住んでいます (shizuka na mura ni sunde imasu). — Ze wonen in een rustig dorp.
中心街 (ちゅうしんがい / chūshingai) centrum 都心へ行きます (toshin e ikimasu). — We gaan vandaag naar het centrum.
広場 (ひろば / hiroba) plein 広場で会いましょう (hiroba de aimashō). — Het grote plein is druk.
公園 (こうえん / kōen) park 公園を散歩します (kōen o sanpo shimasu). — Kinderen spelen in het park.
スーパー (sūpā) supermarkt スーパーで買い物をする (sūpā de kaimono o suru). — Ik koop eten in de supermarkt.
市場 (いちば / ichiba) markt 市場で魚を買います (ichiba de sakana o kaimasu). — Er is vers fruit op de markt.
パン屋 (pan'ya) bakkerij パン屋でパンを買う (pan'ya de pan o kau). — De bakkerij verkoopt vers brood.
本屋 (ほんや / hon'ya) boekhandel 本屋で雑誌を買った (hon'ya de zasshi o katta). — Ik koop een boek in de boekhandel.
服屋 (ふくや / fukuya) kledingwinkel あの服屋でシャツを買う (ano fukuya de shatsu o kau). — Deze kledingwinkel heeft jassen.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen


Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)

School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
学校 (がっこう / gakkō) school 歩いて学校へ行く (aruite gakkō e iku). — De school begint om acht uur.
大学 (だいがく / daigaku) universiteit 大学で数学を学ぶ (daigaku de sūgaku o manabu). — Ze studeert aan de universiteit.
教室 (きょうしつ / kyōshitsu) klasokaal 教室に生徒がいる (kyōshitsu ni seito ga iru). — Het klaslokaal is erg licht.
授業 (じゅぎょう / jugyō) les 授業が始まります (jugyō ga hajimarimasu). — De les begint om tien uur.
宿題 (しゅくだい / shukudai) huiswerk 宿題を終わらせた (shukudai o owaraseta). — Ik maak nu mijn huiswerk.
試験 (しけん / shiken) examen 試験に合格しました (shiken ni gōkaku shimashita). — Ze is geslaagd voor het examen.
本 (ほん / hon) boek 面白い本を読んでいる (omoshiroi hon o yonde iru). — Dit boek heeft een mooi verhaal.
ノート (nōto) schrift ノートにメモを取る (nōto ni memo o toru). — Schrijf de woorden in je schrift.
ページ (pēji) pagina 十ページを開いてください (juppēji o hiraite kudasai). — Lees nu pagina tien.
ペン (pen) pen 黒いペンで名前を書く (kuroi pen de namae o kaku). — Mag ik jouw pen lenen?

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen


Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)

Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
ある (aru) zijn 机の上に本がある (tsukue no ue ni hon ga aru). — Ik ben helemaal klaar.
持つ (もつ / motsu) hebben 傘を持っています (kasa o motte imasu). — We hebben een grote tuin.
行く (いく / iku) gaan 明日東京へ行きます (ashita Tōkyō e ikimasu). — Ik ga morgen naar Amsterdam.
来る (くる / kuru) komen 友達が家に来る (tomodachi ga ie ni kuru). — Kom je vanavond bij ons?
作る (つくる / tsukuru) maken 朝ごはんを作ります (asagohan o tsukurimasu). — Zij maakt een lekkere taart.
食べる (たべる / taberu) eten 昼ごはんを食べる (hirugohan o taberu). — We eten om zes uur.
飲む (のむ / nomu) drinken 冷たい水を飲みます (tsumetai mizu o nomimasu). — Ik drink graag koude melk.
寝る (ねる / neru) slapen 夜は早く寝ます (yoru wa hayaku nemasu). — Ik slaap acht uur per nacht.
起きる (おきる / okiru) wakker worden 毎朝六時に起きる (maiasa rokuji ni okiru). — Ik word om zeven uur wakker.
話す (はなす / hanasu) spreken ゆっくり話してください (yukkuri hanashite kudasai). — Zij spreekt vloeiend Frans.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden


Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)

Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
大きい (おおきい / ōkii) groot 大きな犬がいます (ōkina inu ga imasu). — Ze wonen in een groot huis.
小さい (ちいさい / chiisai) klein 小さな花が咲いた (chiisana hana ga saita). — Dit is een klein kopje.
良い (よい / yoi) goed 今日は良い天気です (kyō wa yoi tenki desu). — Dat is een goed idee.
悪い (わるい / warui) slecht 今日は天気が悪い (kyō wa tenki ga warui). — Het weer is vandaag slecht.
新しい (あたらしい / atarashii) nieuw 新しい靴を履く (atarashii kutsu o haku). — Ik heb een nieuwe fiets.
古い (ふるい / furui) oud これは古い建物です (kore wa furui tatemono desu). — Dat kasteel is heel oud.
若い (わかい / wakai) jong 若い木が育っています (wakai ki ga sodatte imasu). — De jonge hond rent snel.
熱い (あつい / atsui) heet お茶がまだ熱いです (ocha ga mada atsui desu). — Pas op, de soep is heet.
冷たい (つめたい / tsumetai) koud 冷たい風が吹く (tsumetai kaze ga fuku). — De winterwind is erg koud.
暖かい (あたたかい / atatakai) warm 春は暖かいです (haru wa atatakai desu). — Draag vandaag een warme trui.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen


Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)

Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.

Woord (日本語) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
嬉しい (うれしい / ureshii) blij 会えて嬉しいです (aete ureshii desu). — Ik ben erg blij vandaag.
悲しい (かなしい / kanashii) verdrietig 悲しい映画を見ました (kanashii eiga o mimashita). — Het einde van de film is verdrietig.
疲れた (つかれた / tsukareta) moe 今日は少し疲れた (kyō wa sukoshi tsukareta). — Ik ben moe na het sporten.
怒る (おこる / okoru) boos 彼は少し怒っている (kare wa sukoshi okotte iru). — Wees alsjeblieft niet boos.
穏やか (おだやか / odayaka) kalm 波が穏やかです (nami ga odayaka desu). — De blauwe zee is kalm.
緊張する (きんちょうする / kinchō suru) zenuwachtig 少し緊張しています (sukoshi kinchō shite imasu). — Ik ben zenuwachtig voor de test.
ワクワクする (wakuwaku suru) enthousiast 旅行が楽しみです (ryokō ga tanoshimi desu). — De kinderen zijn erg enthousiast.
驚く (おどろく / odoroku) verrast その知らせに驚いた (sono shirase ni odoroita). — Hij was verrast door het cadeau.
誇らしい (ほこらしい / hokorashii) trots 娘を誇りに思う (musume o hokori ni omou). — Haar ouders zijn trots op haar.
心配な (しんぱいな / shinpai na) bezorgd 何も心配しないで (nanimo shinpai shinaide). — Maak je maar niet bezorgd.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: 日本語 (Japanese) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's


Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition

Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.