De beste flashcard-sets om Português (Brasil) woordenschat te leren: A1–B2 Gids
Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het Português (Brasil) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.
Interactive Premade Curricula
Portuguese (Brazil) Flashcard Decks (15)
Select any deck below to study cards with active recall, audio pronunciation, and FSRS spaced repetition, or filter by difficulty level.
Português (Brasil) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen
Português (Brasil) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd
Português (Brasil) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen
Português (Brasil) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant
Português (Brasil) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt
Português (Brasil) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Português (Brasil) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren
Português (Brasil) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek
Português (Brasil) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Português (Brasil) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen
Português (Brasil) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen
Português (Brasil) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen
Português (Brasil) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden
Português (Brasil) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen
Português (Brasil) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's
Klaar om direct te beginnen met oefenen?
Om vol vertrouwen Português (Brasil) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).
Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt
Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.
De 15 essentiële thematische Português (Brasil) flashcard-sets (480 kernwoorden)
Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)
Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| Olá | Hallo | Olá, como está seu dia? — Hallo, hoe is je dag? |
| Bom dia | Goedemorgen | Bom dia, você dormiu bem? — Goedemorgen, heb je goed geslapen? |
| Boa tarde | Goedemiddag | Boa tarde, bem-vindo à loja. — Goedemiddag, welkom in onze winkel. |
| Boa noite | Goedenavond | Boa noite, o jantar está pronto. — Goedenavond, het eten is klaar. |
| Boa noite | Welterusten | Boa noite, durma muito bem. — Welterusten, slaap lekker vannacht. |
| Tchau | Tot ziens | Tchau, nos vemos em breve. — Tot ziens, tot snel weer. |
| Até amanhã | Tot morgen | Até amanhã cedo no trabalho. — Tot morgenochtend op het werk. |
| Por favor | Alsjeblieft | Passe a água, por favor. — Geef me het water, alsjeblieft. |
| Obrigado | Dank je | Obrigado pela sua grande ajuda. — Dank je voor je hulp. |
| Muito obrigado | Hartelijk dank | Muito obrigado por tudo hoje. — Hartelijk dank voor alles vandaag. |
Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)
Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| um (1) | één (1) | Tenho um ingresso para hoje. — Ik heb één kaartje voor vandaag. |
| dois (2) | twee (2) | Uma mesa para duas pessoas. — Een tafel voor twee personen. |
| três (3) | drie (3) | Temos três gatos em casa. — We hebben drie katten thuis. |
| quatro (4) | vier (4) | Há quatro cadeiras na sala. — Er staan hier vier stoelen. |
| cinco (5) | vijf (5) | Me dê cinco minutos, por favor. — Geef me alsjeblieft vijf minuten. |
| seis (6) | zes (6) | Eu acordo às seis horas. — Ik sta om zes uur op. |
| sete (7) | zeven (7) | A semana tem sete dias. — Een week heeft zeven dagen. |
| oito (8) | acht (8) | A aula começa às oito. — De les begint om acht uur. |
| nove (9) | negen (9) | O trem parte às nove horas. — De trein vertrekt om negen uur. |
| dez (10) | tien (10) | Este livro custa dez reais. — Dit boek kost tien euro. |
Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)
Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| a casa | het huis | Nossa casa fica perto da praia. — Ons huis staat in een rustige straat. |
| o apartamento | het appartement | Moro em um apartamento novo. — Ik huur een licht appartement. |
| o quarto | de kamer | Este cômodo é bem arejado. — Deze kamer heeft grote ramen. |
| a cozinha | de keuken | Fazemos o jantar na cozinha. — We koken samen in de keuken. |
| o quarto de dormir | de slaapkamer | O quarto é calmo e silencioso. — De slaapkamer ligt aan de achterkant. |
| o banheiro | de badkamer | Lavo as mãos no banheiro. — De badkamer is net schoongemaakt. |
| a sala de estar | de woonkamer | Conversamos na sala de estar. — We zitten gezellig in de woonkamer. |
| o jardim | de tuin | As flores crescem no jardim. — We drinken thee in de tuin. |
| a cadeira | de stoel | Sente-se nesta cadeira, por favor. — Deze houten stoel zit lekker. |
| a mesa | de tafel | O almoço já está na mesa. — De borden staan op de tafel. |
Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)
Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| a água | het water | Um copo de água gelada, por favor. — Een glas koud water, alsjeblieft. |
| o pão | het brood | Gosto de pão quente no café. — Dit verse brood ruikt heerlijk. |
| o café | de koffie | Quero uma xícara de café quente. — Wil je een kopje warme koffie? |
| o chá | de thee | Gosto de chá de camomila à noite. — Ik drink graag groene thee. |
| o leite | de melk | Comprei um litro de leite fresco. — Drink je koffie met melk? |
| o suco | het sap | Quero um suco de laranja natural. — Ik drink graag vers sinaasappelsap. |
| o vinho | de wijn | Uma taça de vinho tinto seco. — Een glas witte wijn bij de vis. |
| a cerveja | het bier | Duas cervejas bem geladas. — Twee koude biertjes op het terras. |
| o queijo | de kaas | Pão de queijo quentinho é ótimo. — Een boterham met oude kaas. |
| a manteiga | de boter | Pão na chapa com manteiga derretida. — Smeer wat roomboter op je brood. |
Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)
Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| a fruta | het fruit | A fruta madura é bem doce. — Vers fruit bevat veel vitamines. |
| a maçã | de appel | Esta maçã vermelha está doce. — Ik eet elke dag een appel. |
| a banana | de banaan | A banana madura é bem doce. — Een rijpe gele banaan voor onderweg. |
| a laranja | de sinaasappel | Descasquei uma laranja bem doce. — Ik pel een sappige sinaasappel. |
| o limão | de citroen | O suco de limão é azedo. — Een schijfje citroen in de thee. |
| o morango | de aardbei | Bolo recheado com morangos frescos. — Zomerse aardbeien met slagroom. |
| a uva | de druif | Um cacho de uvas verdes sem semente. — Een tros witte pitloze druiven. |
| o pêssego | de perzik | Gosto de pêssego em calda. — Een zachte en zoete zomerperzik. |
| a melancia | de watermeloen | Uma fatia de melancia gelada. — Een stuk koude watermeloen. |
| o abacaxi | de ananas | Suco de abacaxi com hortelã. — Snijd de verse ananas in stukjes. |
Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)
Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| a família | de familie | Minha família mora nesta cidade. — Mijn familie woont in deze stad. |
| a mãe | de moeder | Minha mãe cozinha muito bem todos os dias. — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten. |
| o pai | de vader | Meu pai trabalha em um hospital local. — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis. |
| os pais | de ouders | Meus pais viajam para a praia todo verão. — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee. |
| o irmão | de broer | Meu irmão toca violão muito bem. — Mijn broer speelt gitaar in een band. |
| a irmã | de zus | Minha irmã estuda medicina na universidade. — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit. |
| o filho | de zoon | O filho deles vai para a escola. — Hun zoon gaat nu naar de basisschool. |
| a filha | de dochter | A filha deles adora desenhar quadros coloridos. — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes. |
| o avô | de grootvader | Meu avô conta ótimas histórias toda noite. — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen. |
| a avó | de grootmoeder | Minha avó faz pão fresco aos domingos. — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Português (Brasil) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)
Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| as roupas | de kleding | Coloco roupas limpas na mala de viagem. — Ik pak schone kleding in voor de reis. |
| a camisa | het overhemd | Ele usa uma camisa branca no escritório. — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor. |
| a camiseta | het T-shirt | Uso uma camiseta de algodão no verão. — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt. |
| o suéter | de trui | Este suéter de lã esquenta no inverno. — Deze wollen trui houdt mij lekker warm. |
| a jaqueta | het jasje | Vista sua jaqueta antes de sair. — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat. |
| o sobretudo | de winterjas | Ela pendurou o sobretudo perto da porta. — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur. |
| o terno | het pak | Ele comprou um terno escuro para o casamento. — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft. |
| o vestido | de jurk | Ela usa um elegante vestido de verão hoje. — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk. |
| a saia | de rok | Esta saia combina bem com a blusa dela. — Deze rok past goed bij haar blouse. |
| as calças | de broek | Estas calças pretas são um pouco compridas. — Deze zwarte broek is net iets te lang. |
Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)
Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| o corpo | het lichaam | O exercício mantém o corpo forte. — Beweging houdt het lichaam gezond. |
| a cabeça | het hoofd | Ele balançou a cabeça concordando. — Hij knikte instemmend met zijn hoofd. |
| o cabelo | het haar | Ela escova o cabelo toda manhã. — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar. |
| o rosto | het gezicht | Lavo meu rosto com água fria. — Ik was mijn gezicht met koud water. |
| o olho | het oog | Ela fechou os olhos e dormiu. — Ze sloot haar ogen en viel in slaap. |
| a orelha | het oor | Ela sussurrou um segredo no meu ouvido. — Ze fluisterde een geheim in mijn oor. |
| o nariz | de neus | Meu nariz está gelado por causa do vento. — Mijn neus is koud door de wind. |
| a boca | de mond | Abra bem a boca para o dentista. — Doe je mond wijd open bij de tandarts. |
| o dente | de tand | Escovo os dentes duas vezes por dia. — Ik poets mijn tanden twee keer per dag. |
| a língua | de tong | A sopa quente queimou minha língua. — De hete soep verbrandde mijn tong. |
Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)
Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| o animal | het dier | Animais selvagens vivem livres na floresta. — Wilde dieren leven vrij in het bos. |
| o cachorro | de hond | O cachorro corre feliz no parque. — De hond rent vrolijk in het park. |
| o gato | de kat | O gato dorme no sofá quentinho. — De kat slaapt op de warme bank. |
| o pássaro | de vogel | Um pequeno pássaro canta na árvore. — Een kleine vogel zingt in de boom. |
| o cavalo | het paard | O cavalo marrom galopa pelo campo. — Het bruine paard rent door het veld. |
| a vaca | de koe | As vacas comem capim fresco no pasto. — Koeien eten vers gras in de wei. |
| o porco | het varken | O fazendeiro alimenta os porcos cedo. — De boer voert de varkens elke ochtend. |
| a ovelha | het schaap | Ovelhas brancas pastam na colina verde. — Witte schapen grazen op de groene heuvel. |
| a galinha | de kip | As galinhas botam ovos frescos todo dia. — De kippen leggen elke ochtend verse eieren. |
| o coelho | het konijn | O coelho branco adora comer cenouras. — Het witte konijn eet graag verse wortels. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Português (Brasil) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)
Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| a viagem | de reis | Nossa viagem a Roma foi inesquecível. — Onze reis naar Rome was onvergetelijk. |
| o aeroporto | de luchthaven | Chegue ao aeroporto duas horas antes. — Kom twee uur eerder naar de luchthaven. |
| o avião | het vliegtuig | O avião decolou na hora certa. — Het vliegtuig vertrok precies op tijd. |
| o voo | de vlucht | Nosso voo direto dura duas horas. — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur. |
| o passaporte | het paspoort | Mostre seu passaporte no controle. — Toon uw paspoort bij de grenscontrole. |
| o cartão de embarque | de instapkaart | Guarde seu cartão de embarque. — Houd uw instapkaart bij de hand. |
| a mala | de koffer | Esta mala pesada tem quatro rodinhas. — Deze zware koffer heeft vier wieltjes. |
| a mochila | de rugzak | Levo meu notebook em uma mochila. — Ik draag mijn laptop in een rugzak. |
| o trem | de trein | O trem rápido sai da plataforma três. — De sneltrein vertrekt van spoor drie. |
| a estação de trem | het treinstation | Encontre-me em frente à estação. — Wacht op mij voor het treinstation. |
Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)
Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| cidade | stad | Esta cidade é muito animada. — Deze stad is erg levendig. |
| vila | dorp | Eles moram numa vila tranquila. — Ze wonen in een rustig dorp. |
| centro | centrum | Vamos ao centro hoje. — We gaan vandaag naar het centrum. |
| praça | plein | A praça principal está cheia. — Het grote plein is druk. |
| parque | park | As crianças brincam no parque. — Kinderen spelen in het park. |
| supermercado | supermarkt | Compro comida no supermercado. — Ik koop eten in de supermarkt. |
| mercado | markt | Há frutas frescas no mercado. — Er is vers fruit op de markt. |
| padaria | bakkerij | Compro pão quente na padaria. — De bakkerij verkoopt vers brood. |
| livraria | boekhandel | Comprei um romance na livraria. — Ik koop een boek in de boekhandel. |
| loja de roupas | kledingwinkel | Esta loja de roupas é ótima. — Deze kledingwinkel heeft jassen. |
Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)
School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| escola | school | A escola começa às oito. — De school begint om acht uur. |
| universidade | universiteit | Ela estuda na universidade. — Ze studeert aan de universiteit. |
| sala de aula | klasokaal | A sala de aula é ampla. — Het klaslokaal is erg licht. |
| aula | les | A aula de hoje foi ótima. — De les begint om tien uur. |
| lição de casa | huiswerk | Fiz a lição de casa. — Ik maak nu mijn huiswerk. |
| prova | examen | Passei na prova de ontem. — Ze is geslaagd voor het examen. |
| livro | boek | Este livro é muito bom. — Dit boek heeft een mooi verhaal. |
| caderno | schrift | Anotei tudo no meu caderno. — Schrijf de woorden in je schrift. |
| página | pagina | Abra na página dez agora. — Lees nu pagina tien. |
| caneta | pen | Você tem uma caneta azul? — Mag ik jouw pen lenen? |
Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)
Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| ser | zijn | Ela é uma pessoa gentil. — Ik ben helemaal klaar. |
| ter | hebben | Eu tenho um carro azul. — We hebben een grote tuin. |
| ir | gaan | Vou para casa mais cedo. — Ik ga morgen naar Amsterdam. |
| vir | komen | Venha jantar conosco hoje. — Kom je vanavond bij ons? |
| fazer | maken | Eu faço café toda manhã. — Zij maakt een lekkere taart. |
| comer | eten | Comemos frutas no café. — We eten om zes uur. |
| beber | drinken | Bebo muita água por dia. — Ik drink graag koude melk. |
| dormir | slapen | Durmo cedo durante a semana. — Ik slaap acht uur per nacht. |
| acordar | wakker worden | Eu acordo às seis horas. — Ik word om zeven uur wakker. |
| falar | spreken | Ela fala três línguas bem. — Zij spreekt vloeiend Frans. |
Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)
Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| grande | groot | Eles têm uma casa grande. — Ze wonen in een groot huis. |
| pequeno | klein | Este quarto é bem pequeno. — Dit is een klein kopje. |
| bom | goed | Este livro é muito bom. — Dat is een goed idee. |
| ruim | slecht | O trânsito está ruim hoje. — Het weer is vandaag slecht. |
| novo | nieuw | Comprei um sapato novo. — Ik heb een nieuwe fiets. |
| velho | oud | Aquele prédio é bem velho. — Dat kasteel is heel oud. |
| jovem | jong | O médico novo é jovem. — De jonge hond rent snel. |
| quente | heet | Cuidado, a sopa está quente. — Pas op, de soep is heet. |
| frio | koud | O vento hoje está frio. — De winterwind is erg koud. |
| morno | warm | O leite está morno agora. — Draag vandaag een warme trui. |
Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)
Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.
| Woord (Português - Brasil) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| feliz | blij | Estou muito feliz hoje. — Ik ben erg blij vandaag. |
| triste | verdrietig | O final do livro é triste. — Het einde van de film is verdrietig. |
| cansado | moe | Estou cansado depois do treino. — Ik ben moe na het sporten. |
| bravo | boos | Não fique bravo comigo. — Wees alsjeblieft niet boos. |
| calmo | kalm | O mar está bem calmo. — De blauwe zee is kalm. |
| nervoso | zenuwachtig | Fico nervoso antes da prova. — Ik ben zenuwachtig voor de test. |
| animado | enthousiast | Estamos animados com a viagem. — De kinderen zijn erg enthousiast. |
| surpreso | verrast | Fiquei surpreso com a notícia. — Hij was verrast door het cadeau. |
| orgulhoso | trots | Estou orgulhoso do seu progresso. — Haar ouders zijn trots op haar. |
| preocupado | bezorgd | Não fique preocupado com isso. — Maak je maar niet bezorgd. |
Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition
Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.