Language Learning (CEFR A1–C2) Nederlands 15 Interactive Flashcard Decks

De beste flashcard-sets om हिन्दी (Hindi) woordenschat te leren: A1–B2 Gids

Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het हिन्दी (Hindi) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.

Klaar om direct te beginnen met oefenen?

Om vol vertrouwen हिन्दी (Hindi) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).


Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt

Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.


De 15 essentiële thematische हिन्दी flashcard-sets (480 kernwoorden)

Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)

Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
नमस्ते (namaste) Hallo नमस्ते, आप कैसे हैं? (namaste, āp kaise haiṅ?) — Hallo, hoe is je dag?
सुप्रभात (suprabhāt) Goedemorgen सुप्रभात, दिन शुभ हो (suprabhāt, din śubh ho) — Goedemorgen, heb je goed geslapen?
नमस्कार (namaskār) Goedemiddag नमस्कार, अंदर आइए (namaskār, andar āiye) — Goedemiddag, welkom in onze winkel.
शुभ संध्या (śubh sandhyā) Goedenavond शुभ संध्या, बैठिए (śubh sandhyā, baiṭhiye) — Goedenavond, het eten is klaar.
शुभ रात्रि (śubh rātri) Welterusten शुभ रात्रि, अच्छी नींद लें (śubh rātri, acchī nīnd leṅ) — Welterusten, slaap lekker vannacht.
अलविदा (alvidā) Tot ziens अलविदा, फिर मिलेंगे (alvidā, phir mileṅge) — Tot ziens, tot snel weer.
कल मिलेंगे (kal mileṅge) Tot morgen हम कल सुबह मिलेंगे (ham kal subah mileṅge) — Tot morgenochtend op het werk.
कृपया (kṛpayā) Alsjeblieft कृपया यहाँ बैठिए (kṛpayā yahāṅ baiṭhiye) — Geef me het water, alsjeblieft.
धन्यवाद (dhanyavād) Dank je आपकी मदद के लिए धन्यवाद (āpkī madad ke liye dhanyavād) — Dank je voor je hulp.
बहुत धन्यवाद (bahut dhanyavād) Hartelijk dank आपका बहुत धन्यवाद (āpkā bahut dhanyavād) — Hartelijk dank voor alles vandaag.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen


Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)

Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
एक (ek) één (1) मेरे पास एक टिकट है (mere pās ek ṭikaṭ hai) — Ik heb één kaartje voor vandaag.
दो (do) twee (2) कृपया दो लोगों के लिए मेज़ (do logoṅ ke liye mez) — Een tafel voor twee personen.
तीन (tīn) drie (3) हमारे पास तीन बिल्लियाँ हैं (hamāre pās tīn billiyāṅ haiṅ) — We hebben drie katten thuis.
चार (cār) vier (4) यहाँ चार कुर्सियाँ हैं (yahāṅ cār kursiyāṅ haiṅ) — Er staan hier vier stoelen.
पाँच (pāṅc) vijf (5) मुझे पाँच मिनट दीजिए (mujhe pāṅc minaṭ dījiye) — Geef me alsjeblieft vijf minuten.
छह (chah) zes (6) मैं छह बजे उठता हूँ (maiṅ chah baje uṭhtā hūṅ) — Ik sta om zes uur op.
सात (sāt) zeven (7) सप्ताह में सात दिन हैं (saptāh meṅ sāt din haiṅ) — Een week heeft zeven dagen.
आठ (āṭh) acht (8) काम आठ बजे शुरू होता है (kām āṭh baje śurū hotā hai) — De les begint om acht uur.
नौ (nau) negen (9) ट्रेन नौ बजे छूटती है (ṭren nau baje chūṭtī hai) — De trein vertrekt om negen uur.
दस (das) tien (10) मेरे पास दस किताबें हैं (mere pās das kitābeṅ haiṅ) — Dit boek kost tien euro.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd


Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)

Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
घर (ghar) het huis हमारा घर बहुत सुंदर है (hamārā ghar bahut sundar hai) — Ons huis staat in een rustige straat.
अपार्टमेंट (apārṭmeṅṭ) het appartement यह एक नया अपार्टमेंट है (yah ek nayā apārṭmeṅṭ hai) — Ik huur een licht appartement.
कमरा (kamrā) de kamer यह कमरा बहुत हवादार है (yah kamrā bahut havādār hai) — Deze kamer heeft grote ramen.
रसोई (rasoī) de keuken माँ रसोई में खाना बनाती हैं (māṅ rasoī meṅ khānā banātī haiṅ) — We koken samen in de keuken.
शयनकक्ष (śayankakṣ) de slaapkamer सोने का कमरा शांत है (sone kā kamrā śānt hai) — De slaapkamer ligt aan de achterkant.
स्नानघर (snānghar) de badkamer बाथरूम एकदम साफ़ है (bāthrūm ekdam sāf hai) — De badkamer is net schoongemaakt.
बैठक (baiṭhak) de woonkamer हम बैठक में टीवी देखते हैं (ham baiṭhak meṅ ṭīvī dekhte haiṅ) — We zitten gezellig in de woonkamer.
बगीचा (bagīcā) de tuin बगीचे में सुंदर फूल हैं (bagīce meṅ sundar phūl haiṅ) — We drinken thee in de tuin.
कुर्सी (kursī) de stoel कृपया इस कुर्सी पर बैठें (kṛpayā is kursī par baiṭheṅ) — Deze houten stoel zit lekker.
मेज़ (mez) de tafel किताबें मेज़ के ऊपर रखी हैं (kitābeṅ mez ke ūpar rakhī haiṅ) — De borden staan op de tafel.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen


Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)

Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
पानी (pānī) het water एक गिलास ठंडा पानी दीजिए (ek gilās ṭhaṅḍā pānī dījiye) — Een glas koud water, alsjeblieft.
रोटी / ब्रेड (roṭī / breḍ) het brood ताज़ी और गर्म रोटी खाओ (tāzī aur garm roṭī khāo) — Dit verse brood ruikt heerlijk.
कॉफ़ी (kofī) de koffie मुझे एक कप गर्म कॉफ़ी चाहिए (mujhe ek kap garm kofī cāhiye) — Wil je een kopje warme koffie?
चाय (cāy) de thee शाम को अदरक वाली चाय पिएँ (śām ko adrak vālī cāy pieṅ) — Ik drink graag groene thee.
दूध (dūdh) de melk बच्चे रोज़ एक गिलास दूध पीते हैं (bacce roz dūdh pīte haiṅ) — Drink je koffie met melk?
रस / जूस (jūs) het sap मुझे संतरे का ताज़ा जूस पसंद है (satre kā tāzā jūs) — Ik drink graag vers sinaasappelsap.
वाइन / मदिरा (vāin) de wijn अंगूर से बनी लाल वाइन (aṅgūr se banī lāl vāin) — Een glas witte wijn bij de vis.
बीयर (bīyar) het bier ठंडी बीयर की एक बोतल (ṭhaṅḍī bīyar kī ek botal) — Twee koude biertjes op het terras.
पनीर / चीज़ (panīr / cīz) de kaas सैंडविच में चीज़ डाला गया है (saiṅḍvic meṅ cīz hai) — Een boterham met oude kaas.
मक्खन (makkhan) de boter गर्म परांठे पर मक्खन लगाओ (garm parāṅṭhe par makkhan lagāo) — Smeer wat roomboter op je brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant


Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)

Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
फल (phal) het fruit रोज़ ताज़े फल खाने चाहिए (roz tāze phal khāne cāhiye) — Vers fruit bevat veel vitamines.
सेब (seb) de appel यह लाल सेब बहुत मीठा है (yah lāl seb bahut mīṭhā hai) — Ik eet elke dag een appel.
केला (kelā) de banaan पका हुआ पीला केला मीठा है (pakā huā pīlā kelā mīṭhā hai) — Een rijpe gele banaan voor onderweg.
संतरा (santrā) de sinaasappel संतरे में विटामिन सी होता है (santre meṅ viṭāmin sī hai) — Ik pel een sappige sinaasappel.
नींबू (nīṅbū) de citroen गर्मियों में ठंडा नींबू पानी पिएँ (nīṅbū pānī pieṅ) — Een schijfje citroen in de thee.
स्ट्रॉबेरी (sṭroberī) de aardbei लाल स्ट्रॉबेरी दिखने में सुंदर है (lāl sṭroberī sundar hai) — Zomerse aardbeien met slagroom.
अंगूर (aṅgūr) de druif हरे और काले अंगूर का गुच्छा (aṅgūr kā gucchā) — Een tros witte pitloze druiven.
आड़ू (āṛū) de perzik यह पका हुआ आड़ू रसीला है (yah pakā huā āṛū rasīlā hai) — Een zachte en zoete zomerperzik.
तरबूज़ (tarbūz) de watermeloen गर्मी में लाल तरबूज़ ठंडक देता है (lāl tarbūz ṭhaṅḍak detā hai) — Een stuk koude watermeloen.
अनानास (anānās) de ananas अनानास का रस खट्टा-मीठा होता है (anānās kā ras mīṭhā hai) — Snijd de verse ananas in stukjes.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt


Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)

Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
परिवार (parivār) de familie मेरा परिवार यहाँ रहता है। (merā parivār yahā̃ rahtā hai.) — Mijn familie woont in deze stad.
माँ (mā̃) de moeder मेरी माँ अच्छा खाना बनाती हैं। (merī mā̃ acchā khānā banātī haiṁ.) — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten.
पिता (pitā) de vader मेरे पिता अस्पताल में काम करते हैं। (mere pitā aspatāl meṁ kām karte haiṁ.) — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis.
माता-पिता (mātā-pitā) de ouders मेरे माता-पिता घर पर हैं। (mere mātā-pitā ghar par haiṁ.) — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee.
भाई (bhāī) de broer मेरा भाई गिटार बजाता है। (merā bhāī giṭār bajātā hai.) — Mijn broer speelt gitaar in een band.
बहन (bahan) de zus मेरी बहन डॉक्टर बन रही है। (merī bahan ḍôkṭar ban rahī hai.) — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit.
बेटा (beṭā) de zoon उनका बेटा स्कूल जाता है। (unkā beṭā skūl jātā hai.) — Hun zoon gaat nu naar de basisschool.
बेटी (beṭī) de dochter उनकी बेटी चित्र बनाती है। (unkī beṭī citra banātī hai.) — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes.
दादा (dādā) de grootvader मेरे दादाजी कहानी सुनाते हैं। (mere dādājī kahānī sunāte haiṁ.) — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen.
दादी (dādī) de grootmoeder मेरी दादी मीठी रोटी बनाती हैं। (merī dādī mīṭhī roṭī banātī haiṁ.) — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Familie, mensen, vrienden en relaties


Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)

Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
कपड़े (kapṛe) de kleding ये कपड़े बहुत साफ हैं। (ye kapṛe bahut sāf haiṁ.) — Ik pak schone kleding in voor de reis.
कमीज़ (kamīz) het overhemd वह सफेद कमीज़ पहनता है। (vah safed kamīz pahantā hai.) — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor.
टी-शर्ट (ṭī-śarṭ) het T-shirt मैं सूती टी-शर्ट पहनता हूँ। (maiṁ sūtī ṭī-śarṭ pahantā hū̃.) — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt.
स्वेटर (sveṭar) de trui यह ऊनी स्वेटर गर्म है। (yah ūnī sveṭar garm hai.) — Deze wollen trui houdt mij lekker warm.
जैकेट (jaikeṭ) het jasje बाहर जाने से पहले जैकेट पहनें। (bāhar jāne se pahle jaikeṭ pahneṁ.) — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat.
कोट (koṭ) de winterjas उसने अपना कोट दरवाज़े पर टाँगा। (usne apnā koṭ darvāze par ṭā̃gā.) — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur.
सूट (sūṭ) het pak उसने शादी के लिए सूट खरीदा। (usne śādī ke lie sūṭ kharīdā.) — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft.
पोशाक (pośāk) de jurk उसने सुंदर पोशाक पहनी है। (usne sundar pośāk pahnī hai.) — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk.
स्कर्ट (skarṭ) de rok यह स्कर्ट बहुत सुंदर है। (yah skarṭ bahut sundar hai.) — Deze rok past goed bij haar blouse.
पतलून (patlūn) de broek यह काली पतलून थोड़ी लंबी है। (yah kālī patlūn thoṛī lambī hai.) — Deze zwarte broek is net iets te lang.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren


Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)

Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
शरीर (śarīr) het lichaam व्यायाम शरीर को स्वस्थ रखता है। (vyāyām śarīr ko svasth rakhtā hai.) — Beweging houdt het lichaam gezond.
सिर (sir) het hoofd उसने सहमति में सिर हिलाया। (usne sahmati meṁ sir hilāyā.) — Hij knikte instemmend met zijn hoofd.
बाल (bāl) het haar उसके बाल काले और लंबे हैं। (uske bāl kāle aur lambe haiṁ.) — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar.
चेहरा (cehrā) het gezicht मैं ठंडे पानी से चेहरा धोता हूँ। (maiṁ ṭhaṇḍe pānī se cehrā dhotā hū̃.) — Ik was mijn gezicht met koud water.
आँख (ā̃kh) het oog उसने अपनी आँखें बंद कर लीं। (usne apnī ā̃kheṁ band kar līṁ.) — Ze sloot haar ogen en viel in slaap.
कान (kān) het oor उसने मेरे कान में कुछ कहा। (usne mere kān meṁ kuch kahā.) — Ze fluisterde een geheim in mijn oor.
नाक (nāk) de neus ठंडी हवा से मेरी नाक ठंडी है। (ṭhaṇḍī havā se merī nāk ṭhaṇḍī hai.) — Mijn neus is koud door de wind.
मुँह (mũh) de mond डॉक्टर के सामने मुँह खोलें। (ḍôkṭar ke sāmne mũh kholeṁ.) — Doe je mond wijd open bij de tandarts.
दाँत (dā̃t) de tand मैं रोज़ अपने दाँत साफ करता हूँ। (maiṁ roz apne dā̃t sāf kartā hū̃.) — Ik poets mijn tanden twee keer per dag.
जीभ (jībh) de tong गर्म चाय से मेरी जीभ जल गई। (garm cāy se merī jībh jal gaī.) — De hete soep verbrandde mijn tong.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek


Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)

Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
जानवर (jānvar) het dier जंगल में कई जानवर रहते हैं। (jaṅgal meṁ kaī jānvar rahte haiṁ.) — Wilde dieren leven vrij in het bos.
कुत्ता (kuttā) de hond कुत्ता पार्क में दौड़ रहा है। (kuttā pārk meṁ dauṛ rahā hai.) — De hond rent vrolijk in het park.
बिल्ली (billī) de kat बिल्ली सोफे पर सो रही है। (billī sophe par so rahī hai.) — De kat slaapt op de warme bank.
पक्षी (pakṣī) de vogel पेड़ पर एक पक्षी गाता है। (peṛ par ek pakṣī gātā hai.) — Een kleine vogel zingt in de boom.
घोड़ा (ghoṛā) het paard घोड़ा मैदान में तेज़ दौड़ता है। (ghoṛā maidān meṁ tez dauṛtā hai.) — Het bruine paard rent door het veld.
गाय (gāy) de koe गाय हरी घास खाती है। (gāy harī ghās khātī hai.) — Koeien eten vers gras in de wei.
सूअर (sūar) het varken किसान जानवरों को चारा देता है। (kisān jānvaroṁ ko cārā detā hai.) — De boer voert de varkens elke ochtend.
भेड़ (bheṛ) het schaap भेड़ से हमें ऊन मिलती है। (bheṛ se hameṁ ūn miltī hai.) — Witte schapen grazen op de groene heuvel.
मुर्गी (murgī) de kip मुर्गी रोज़ ताज़े अंडे देती है। (murgī roz tāze aṇḍe detī hai.) — De kippen leggen elke ochtend verse eieren.
खरगोश (khargoś) het konijn खरगोश को गाजर बहुत पसंद है। (khargoś ko gājar bahut pasand hai.) — Het witte konijn eet graag verse wortels.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer


Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)

Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
यात्रा (yātrā) de reis हमारी यात्रा बहुत अच्छी रही। (hamārī yātrā bahut acchī rahī.) — Onze reis naar Rome was onvergetelijk.
हवाई अड्डा (havāī aḍḍā) de luchthaven हम समय पर हवाई अड्डे पहुँचे। (ham samay par havāī aḍḍe pahũce.) — Kom twee uur eerder naar de luchthaven.
हवाई जहाज़ (havāī jahāz) het vliegtuig हवाई जहाज़ समय पर उड़ा। (havāī jahāz samay par uṛā.) — Het vliegtuig vertrok precies op tijd.
उड़ान (uṛān) de vlucht यह सीधी उड़ान दो घंटे की है। (yah sīdhī uṛān do ghaṇṭe kī hai.) — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur.
पासपोर्ट (pāsporṭ) het paspoort यहाँ अपना पासपोर्ट दिखाएँ। (yahā̃ apnā pāsporṭ dikhāeṁ.) — Toon uw paspoort bij de grenscontrole.
बोर्डिंग पास (borḍiṅg pās) de instapkaart यह मेरा बोर्डिंग पास है। (yah merā borḍiṅg pās hai.) — Houd uw instapkaart bij de hand.
सूटकेस (sūṭkes) de koffer यह सूटकेस बहुत भारी है। (yah sūṭkes bahut bhārī hai.) — Deze zware koffer heeft vier wieltjes.
पीठ का बैग (pīṭh kā baig) de rugzak उसने पीठ पर बैग टाँगा है। (usne pīṭh par baig ṭā̃gā hai.) — Ik draag mijn laptop in een rugzak.
रेलगाड़ी (relgāṛī) de trein तेज़ रेलगाड़ी अभी छूट रही है। (tez relgāṛī abhī chūṭ rahī hai.) — De sneltrein vertrekt van spoor drie.
स्टेशन (sṭeśan) het treinstation हम स्टेशन पर मिलेंगे। (ham sṭeśan par mileṅge.) — Wacht op mij voor het treinstation.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen


Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)

Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
शहर (shahar) stad यह शहर बड़ा है (yah shahar baṛā hai). — Deze stad is erg levendig.
गाँव (gāṅv) dorp यह गाँव शांत है (yah gāṅv shānt hai). — Ze wonen in een rustig dorp.
केंद्र (kendra) centrum हम शहर के केंद्र गए (ham shahar ke kendra gaye). — We gaan vandaag naar het centrum.
चौक (chauk) plein मुख्य चौक पर भीड़ है (mukhya chauk par bhīṛ hai). — Het grote plein is druk.
पार्क (pārk) park बच्चे पार्क में खेलते हैं (bachche pārk meṅ khelte haiṅ). — Kinderen spelen in het park.
सुपरमार्केट (suparmārkeṭ) supermarkt मैं सुपरमार्केट जा रहा हूँ (maiṅ suparmārkeṭ jā rahā hūṅ). — Ik koop eten in de supermarkt.
बाज़ार (bāzār) markt बाज़ार में ताज़े फल हैं (bāzār meṅ tāze phal haiṅ). — Er is vers fruit op de markt.
बेकरी (bekarī) bakkerij बेकरी में ताज़ी रोटी है (bekarī meṅ tāzī roṭī hai). — De bakkerij verkoopt vers brood.
बुकस्टोर (buksṭor) boekhandel यहाँ नई किताबें हैं (yahāṅ naī kitābeṅ haiṅ). — Ik koop een boek in de boekhandel.
कपड़ों की दुकान (kapṛoṅ kī dukān) kledingwinkel यहाँ नए कपड़े हैं (yahāṅ naye kapṛe haiṅ). — Deze kledingwinkel heeft jassen.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen


Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)

School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
स्कूल (skūl) school बच्चे स्कूल जाते हैं (bachche skūl jāte haiṅ). — De school begint om acht uur.
विश्वविद्यालय (vishvavidyālay) universiteit यह बड़ा विश्वविद्यालय है (yah baṛā vishvavidyālay hai). — Ze studeert aan de universiteit.
कक्षा (kakshā) klasokaal हमारी कक्षा बड़ी है (hamārī kakshā baṛī hai). — Het klaslokaal is erg licht.
पाठ (pāṭh) les आज का पाठ सरल है (āj kā pāṭh saral hai). — De les begint om tien uur.
गृहकार्य (gṛhakārya) huiswerk मैंने गृहकार्य पूरा किया (maine gṛhakārya pūrā kiyā). — Ik maak nu mijn huiswerk.
परीक्षा (parīkshā) examen कल मेरी परीक्षा है (kal merī parīkshā hai). — Ze is geslaagd voor het examen.
किताब (kitāb) boek यह किताब बहुत अच्छी है (yah kitāb bahut achchhī hai). — Dit boek heeft een mooi verhaal.
कॉपी (kॉpī) schrift अपनी कॉपी में लिखो (apnī kॉpī meṅ likho). — Schrijf de woorden in je schrift.
पन्ना (pannā) pagina दसवाँ पन्ना खोलो (dasvāṅ pannā kholo). — Lees nu pagina tien.
कलम (kalam) pen यह नीली कलम मेरी है (yah nīlī kalam merī hai). — Mag ik jouw pen lenen?

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen


Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)

Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
होना (honā) zijn मैं आज घर पर हूँ (maiṅ āj ghar par hūṅ). — Ik ben helemaal klaar.
रखना (rakhnā) hebben मेरे पास एक कार है (mere pās ek kār hai). — We hebben een grote tuin.
जाना (jānā) gaan मैं बाज़ार जा रहा हूँ (maiṅ bāzār jā rahā hūṅ). — Ik ga morgen naar Amsterdam.
आना (ānā) komen कृपया अंदर आइए (kṛpayā andar āiye). — Kom je vanavond bij ons?
करना (karnā) maken मैं अपना काम करता हूँ (maiṅ apnā kām kartā hūṅ). — Zij maakt een lekkere taart.
खाना (khānā) eten हम दोपहर का भोजन करते हैं (ham dopahar kā bhojan karte haiṅ). — We eten om zes uur.
पीना (pīnā) drinken मैं ठंडा पानी पीता हूँ (maiṅ ṭhaṅḍā pānī pītā hūṅ). — Ik drink graag koude melk.
सोना (sonā) slapen बच्चा गहरी नींद सोता है (bachchā gahrī nīṅd sotā hai). — Ik slaap acht uur per nacht.
जागना (jāgnā) wakker worden मैं सुबह जल्दी जागता हूँ (maiṅ subah jaldī jāgtā hūṅ). — Ik word om zeven uur wakker.
बोलना (bolnā) spreken वह साफ़ हिंदी बोलती है (vah sāf hindī boltī hai). — Zij spreekt vloeiend Frans.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden


Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)

Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
बड़ा (baṛā) groot यह एक बड़ा घर है (yah ek baṛā ghar hai). — Ze wonen in een groot huis.
छोटा (chhoṭā) klein यह कमरा छोटा है (yah kamrā chhoṭā hai). — Dit is een klein kopje.
अच्छा (achchhā) goed यह एक अच्छा विचार है (yah ek achchhā vichār hai). — Dat is een goed idee.
ख़राब (kharāb) slecht आज मौसम ख़राब है (āj mausam kharāb hai). — Het weer is vandaag slecht.
नया (nayā) nieuw मैंने एक नया बैग लिया (maine ek nayā baig liyā). — Ik heb een nieuwe fiets.
पुराना (purānā) oud यह किला बहुत पुराना है (yah kilā bahut purānā hai). — Dat kasteel is heel oud.
युवा (yuvā) jong वह एक युवा कलाकार है (vah ek yuvā kalākār hai). — De jonge hond rent snel.
गर्म (garm) heet चाय अभी बहुत गर्म है (chāy abhī bahut garm hai). — Pas op, de soep is heet.
ठंडा (ṭhaṅḍā) koud आज हवा बहुत ठंडी है (āj havā bahut ṭhaṅḍī hai). — De winterwind is erg koud.
गुनगुना (gungunā) warm आज धूप सुहावनी है (āj dhūp suhāvnī hai). — Draag vandaag een warme trui.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen


Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)

Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.

Woord (हिन्दी) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
खुश (khush) blij मैं आज बहुत खुश हूँ (maiṅ āj bahut khush hūṅ). — Ik ben erg blij vandaag.
उदास (udās) verdrietig वह आज थोड़ा उदास है (vah āj thoṛā udās hai). — Het einde van de film is verdrietig.
थका हुआ (thakā huā) moe मैं काम के बाद थका हूँ (maiṅ kām ke bād thakā hūṅ). — Ik ben moe na het sporten.
नाराज़ (nārāz) boos मुझसे नाराज़ मत हो (mujhse nārāz mat ho). — Wees alsjeblieft niet boos.
शांत (shānt) kalm आज समुद्र बिल्कुल शांत है (āj samudra bilkul shānt hai). — De blauwe zee is kalm.
घबराया (ghabrāyā) zenuwachtig मैं आज थोड़ा घबराया हूँ (maiṅ āj thoṛā ghabrāyā hūṅ). — Ik ben zenuwachtig voor de test.
उत्साहित (utsāhit) enthousiast बच्चे बहुत उत्साहित हैं (bachche bahut utsāhit haiṅ). — De kinderen zijn erg enthousiast.
हैरान (hairān) verrast वह उपहार देखकर हैरान था (vah upahār dekhkar hairān thā). — Hij was verrast door het cadeau.
गर्वित (garvit) trots हमें तुम पर गर्व है (hameṅ tum par garv hai). — Haar ouders zijn trots op haar.
चिंतित (chintit) bezorgd इसके बारे में चिंता मत करो (iske bāre meṅ chintā mat karo). — Maak je maar niet bezorgd.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: हिन्दी (Hindi) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's


Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition

Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.