De beste flashcard-sets om Русский (Russian) woordenschat te leren: A1–B2 Gids
Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het Русский (Russian) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.
Interactive Premade Curricula
Russian Flashcard Decks (15)
Select any deck below to study cards with active recall, audio pronunciation, and FSRS spaced repetition, or filter by difficulty level.
Русский (Russian) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen
Русский (Russian) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd
Русский (Russian) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen
Русский (Russian) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant
Русский (Russian) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt
Русский (Russian) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Русский (Russian) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren
Русский (Russian) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek
Русский (Russian) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Русский (Russian) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen
Русский (Russian) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen
Русский (Russian) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen
Русский (Russian) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden
Русский (Russian) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen
Русский (Russian) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's
Klaar om direct te beginnen met oefenen?
Om vol vertrouwen Русский (Russian) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).
Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt
Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.
De 15 essentiële thematische Русский flashcard-sets (480 kernwoorden)
Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)
Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| Привет (privet) | Hallo | Привет, как дела? (privet, kak dela?) — Hallo, hoe is je dag? |
| Доброе утро (dobroye utro) | Goedemorgen | Доброе утро всем! (dobroye utro vsem!) — Goedemorgen, heb je goed geslapen? |
| Добрый день (dobryy den') | Goedemiddag | Добрый день, друзья! (dobryy den', druz'ya!) — Goedemiddag, welkom in onze winkel. |
| Добрый вечер (dobryy vecher) | Goedenavond | Добрый вечер всем! (dobryy vecher vsem!) — Goedenavond, het eten is klaar. |
| Спокойной ночи (spokoynoy nochi) | Welterusten | Спи крепко! (spi krepko!) — Welterusten, slaap lekker vannacht. |
| До свидания (do svidaniya) | Tot ziens | Пока, до встречи! (poka, do vstrechi!) — Tot ziens, tot snel weer. |
| До завтра (do zavtra) | Tot morgen | До завтра на работе! (do zavtra na rabote!) — Tot morgenochtend op het werk. |
| Пожалуйста (pozhaluysta) | Alsjeblieft | Воды, пожалуйста (vody, pozhaluysta) — Geef me het water, alsjeblieft. |
| Спасибо (spasibo) | Dank je | Спасибо за помощь! (spasibo za pomoshch'!) — Dank je voor je hulp. |
| Большое спасибо (bol'shoye spasibo) | Hartelijk dank | Спасибо за всё! (spasibo za vsyo!) — Hartelijk dank voor alles vandaag. |
Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)
Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| один (odin) | één (1) | У меня один билет (u menya odin bilet) — Ik heb één kaartje voor vandaag. |
| два (dva) | twee (2) | Столик на двоих (stolik na dvoikh) — Een tafel voor twee personen. |
| три (tri) | drie (3) | У нас дома три кошки (u nas doma tri koshki) — We hebben drie katten thuis. |
| четыре (chetyre) | vier (4) | Здесь четыре стула (zdes' chetyre stula) — Er staan hier vier stoelen. |
| пять (pyat') | vijf (5) | Подождите пять минут (podozhdite pyat' minut) — Geef me alsjeblieft vijf minuten. |
| шесть (shest') | zes (6) | Я встаю в шесть утра (ya vstayu v shest' utra) — Ik sta om zes uur op. |
| семь (sem') | zeven (7) | В неделе семь дней (v nedele sem' dney) — Een week heeft zeven dagen. |
| восемь (vosem') | acht (8) | Начало в восемь часов (nachalo v vosem' chasov) — De les begint om acht uur. |
| девять (devyat') | negen (9) | Поезд в девять утра (poyezd v devyat' utra) — De trein vertrekt om negen uur. |
| десять (desyat') | tien (10) | У меня десять книг (u menya desyat' knig) — Dit boek kost tien euro. |
Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)
Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| дом (dom) | het huis | Наш дом очень уютный (nash dom ochen' uyutnyy) — Ons huis staat in een rustige straat. |
| квартира (kvartira) | het appartement | Это светлая квартира (eto svetlaya kvartira) — Ik huur een licht appartement. |
| комната (komnata) | de kamer | Моя комната чистая (moya komnata chistaya) — Deze kamer heeft grote ramen. |
| кухня (kukhnya) | de keuken | Мы пьём чай на кухне (my p'yom chay na kukhne) — We koken samen in de keuken. |
| спальня (spal'nya) | de slaapkamer | В спальне стоит кровать (v spal'ne stoit krovat') — De slaapkamer ligt aan de achterkant. |
| ванная (vannaya) | de badkamer | Я мою руки в ванной (ya moyu ruki v vannoy) — De badkamer is net schoongemaakt. |
| гостиная (gostinaya) | de woonkamer | Мы сидим в гостиной (my sidim v gostinoy) — We zitten gezellig in de woonkamer. |
| сад (sad) | de tuin | В саду растут яблони (v sadu rastut yabloni) — We drinken thee in de tuin. |
| стул (stul) | de stoel | Этот стул очень удобный (etot stul ochen' udobnyy) — Deze houten stoel zit lekker. |
| стол (stol) | de tafel | Книга лежит на столе (kniga lezhit na stole) — De borden staan op de tafel. |
Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)
Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| вода (voda) | het water | Стакан чистой воды (stakan chistoy vody) — Een glas koud water, alsjeblieft. |
| хлеб (khleb) | het brood | Свежий и мягкий хлеб (svezhiy i myagkiy khleb) — Dit verse brood ruikt heerlijk. |
| кофе (kofe) | de koffie | Чашка горячего кофе (chashka goryachego kofe) — Wil je een kopje warme koffie? |
| чай (chay) | de thee | Зелёный чай с лимоном (zelyonyy chay s limonom) — Ik drink graag groene thee. |
| молоко (moloko) | de melk | Стакан тёплого молока (stakan tyoplogo moloka) — Drink je koffie met melk? |
| сок (sok) | het sap | Свежий апельсиновый сок (svezhiy apel'sinovyy sok) — Ik drink graag vers sinaasappelsap. |
| вино (vino) | de wijn | Бокал красного вина (bokal krasnogo vina) — Een glas witte wijn bij de vis. |
| пиво (pivo) | het bier | Кружка холодного пива (kruzhka kholodnogo piva) — Twee koude biertjes op het terras. |
| сыр (syr) | de kaas | Бутерброд с вкусным сыром (buterbrod s vkusnym syrom) — Een boterham met oude kaas. |
| масло (maslo) | de boter | Хлеб со сливочным маслом (khleb so slivochnym maslom) — Smeer wat roomboter op je brood. |
Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)
Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| фрукт (frukt) | het fruit | Спелые и сладкие фрукты (spelyye i sladkiye frukty) — Vers fruit bevat veel vitamines. |
| яблоко (yabloko) | de appel | Сочное красное яблоко (sochnoye krasnoye yabloko) — Ik eet elke dag een appel. |
| банан (banan) | de banaan | Спелый жёлтый банан (spelyy zhyoltyy banan) — Een rijpe gele banaan voor onderweg. |
| апельсин (apel'sin) | de sinaasappel | Сладкий и сочный апельсин (sladkiy i sochnyy apel'sin) — Ik pel een sappige sinaasappel. |
| лимон (limon) | de citroen | Кислый жёлтый лимон (kislyy zhyoltyy limon) — Een schijfje citroen in de thee. |
| клубника (klubnika) | de aardbei | Сладкая садовая клубника (sladkaya sadovaya klubnika) — Zomerse aardbeien met slagroom. |
| виноград (vinograd) | de druif | Гроздь сладкого винограда (grozd' sladkogo vinograda) — Een tros witte pitloze druiven. |
| персик (persik) | de perzik | Мягкий и ароматный персик (myagkiy i aromatnyy persik) — Een zachte en zoete zomerperzik. |
| арбуз (arbuz) | de watermeloen | Большой красный сладкий арбуз (bol'shoy krasnyy arbuz) — Een stuk koude watermeloen. |
| ананас (ananas) | de ananas | Спелый тропический ананас (spelyy tropicheskiy ananas) — Snijd de verse ananas in stukjes. |
Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)
Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| семья (sem'ya) | de familie | Моя семья живёт здесь. (Moya sem'ya zhivyot zdes'.) — Mijn familie woont in deze stad. |
| мать (mat') | de moeder | Моя мама вкусно готовит. (Moya mama vkusno gotovit.) — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten. |
| отец (otets) | de vader | Мой отец работает в больнице. (Moy otets rabotayet v bol'nitse.) — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis. |
| родители (roditeli) | de ouders | Мои родители дома. (Moi roditeli doma.) — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee. |
| брат (brat) | de broer | Мой брат играет на гитаре. (Moy brat igrayet na gitare.) — Mijn broer speelt gitaar in een band. |
| сестра (sestra) | de zus | Моя сестра учится в вузе. (Moya sestra uchitsya v vuze.) — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit. |
| сын (syn) | de zoon | Их сын ходит в школу. (Ikh syn khodit v shkolu.) — Hun zoon gaat nu naar de basisschool. |
| дочь (doch') | de dochter | Их дочь любит рисовать. (Ikh doch' lyubit risovat'.) — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes. |
| дедушка (dedushka) | de grootvader | Мой дедушка читает газету. (Moy dedushka chitayet gazetu.) — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen. |
| бабушка (babushka) | de grootmoeder | Бабушка печёт вкусный хлеб. (Babushka pechyot vkusnyy khleb.) — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Русский (Russian) — Familie, mensen, vrienden en relaties
Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)
Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| одежда (odezhda) | de kleding | Эта одежда очень удобная. (Eta odezhda ochen' udobnaya.) — Ik pak schone kleding in voor de reis. |
| рубашка (rubashka) | het overhemd | Он носит белую рубашку. (On nosit beluyu rubashku.) — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor. |
| футболка (futbolka) | het T-shirt | Я купил новую футболку. (Ya kupil novuyu futbolku.) — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt. |
| свитер (sviter) | de trui | Этот тёплый свитер из шерсти. (Etot tyoplyy sviter iz shersti.) — Deze wollen trui houdt mij lekker warm. |
| куртка (kurtka) | het jasje | Надень куртку перед выходом. (Naden' kurtku pered vykhodom.) — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat. |
| пальто (pal'to) | de winterjas | Зимой я ношу длинное пальто. (Zimoy ya noshu dlinnoye pal'to.) — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur. |
| костюм (kostyum) | het pak | Он надел деловой костюм. (On nadel delovoy kostyum.) — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft. |
| платье (plat'ye) | de jurk | На ней красивое летнее платье. (Na ney krasivoye letneye plat'ye.) — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk. |
| юбка (yubka) | de rok | Эта юбка ей очень идёт. (Eta yubka yey ochen' idyot.) — Deze rok past goed bij haar blouse. |
| брюки (bryuki) | de broek | Эти чёрные брюки длинные. (Eti chyornyye bryuki dlinnyye.) — Deze zwarte broek is net iets te lang. |
Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)
Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| тело (telo) | het lichaam | Спорт укрепляет наше тело. (Sport ukreplyayet nashe telo.) — Beweging houdt het lichaam gezond. |
| голова (golova) | het hoofd | Он кивнул головой. (On kivnul golovoy.) — Hij knikte instemmend met zijn hoofd. |
| волосы (volosy) | het haar | У неё длинные тёмные волосы. (U neyo dlinnyye tyomnyye volosy.) — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar. |
| лицо (litso) | het gezicht | Я умываю лицо водой. (Ya umyvayu litso vodoy.) — Ik was mijn gezicht met koud water. |
| глаз (glaz) | het oog | У неё красивые зелёные глаза. (U neyo krasivyye zelyonyye glaza.) — Ze sloot haar ogen en viel in slaap. |
| ухо (ukho) | het oor | У меня болит правое ухо. (U menya bolit pravoye ukho.) — Ze fluisterde een geheim in mijn oor. |
| нос (nos) | de neus | На морозе мёрзнет нос. (Na moroze myorznet nos.) — Mijn neus is koud door de wind. |
| рот (rot) | de mond | Откройте рот пошире у врача. (Otkroyte rot poshire u vracha.) — Doe je mond wijd open bij de tandarts. |
| зуб (zub) | de tand | Я чищу зубы каждое утро. (Ya chishchu zuby kazhdoye utro.) — Ik poets mijn tanden twee keer per dag. |
| язык (yazyk) | de tong | Горячий чай обжёг мне язык. (Goryachiy chay obzhyog mne yazyk.) — De hete soep verbrandde mijn tong. |
Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)
Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| животное (zhivotnoye) | het dier | Это дикое животное. (Eto dikoye zhivotnoye.) — Wilde dieren leven vrij in het bos. |
| собака (sobaka) | de hond | Собака бегает в парке. (Sobaka begayet v parke.) — De hond rent vrolijk in het park. |
| кошка (koshka) | de kat | Кошка спит на диване. (Koshka spit na divane.) — De kat slaapt op de warme bank. |
| птица (ptitsa) | de vogel | Птица поёт на ветке. (Ptitsa poyot na vetke.) — Een kleine vogel zingt in de boom. |
| лошадь (loshad') | het paard | Лошадь скачет по полю. (Loshad' skachet po polyu.) — Het bruine paard rent door het veld. |
| корова (korova) | de koe | Корова пасётся на лугу. (Korova pasyotsya na lugu.) — Koeien eten vers gras in de wei. |
| свинья (svin'ya) | het varken | На ферме живут розовые свиньи. (Na ferme zhivut rozovyye svin'i.) — De boer voert de varkens elke ochtend. |
| овца (ovtsa) | het schaap | Овцы дают тёплую шерсть. (Ovtsy dayut tyoplyuyu sherst'.) — Witte schapen grazen op de groene heuvel. |
| курица (kuritsa) | de kip | Курица несёт свежие яйца. (Kuritsa nesyot svezhiye yaytsa.) — De kippen leggen elke ochtend verse eieren. |
| кролик (krolik) | het konijn | Белый кролик грызёт морковь. (Belyy krolik gryzyot morkov'.) — Het witte konijn eet graag verse wortels. |
👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Русский (Russian) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer
Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)
Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| поездка (poyezdka) | de reis | Наша поездка была чудесной. (Nasha poyezdka byla chudesnoy.) — Onze reis naar Rome was onvergetelijk. |
| аэропорт (aeroport) | de luchthaven | Мы уже в аэропорту. (My uzhe v aeroportu.) — Kom twee uur eerder naar de luchthaven. |
| самолёт (samolyot) | het vliegtuig | Самолёт взлетел по расписанию. (Samolyot vzletel po raspisaniyu.) — Het vliegtuig vertrok precies op tijd. |
| рейс (reys) | de vlucht | Наш прямой рейс длится два часа. (Nash pryamoy reys dlitsya dva chasa.) — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur. |
| паспорт (pasport) | het paspoort | Покажите ваш паспорт. (Pokazhite vash pasport.) — Toon uw paspoort bij de grenscontrole. |
| талон (talon) | de instapkaart | Вот мой посадочный талон. (Vot moy posadochnyy talon.) — Houd uw instapkaart bij de hand. |
| чемодан (chemodan) | de koffer | Я собрал большой чемодан. (Ya sobral bol'shoy chemodan.) — Deze zware koffer heeft vier wieltjes. |
| рюкзак (ryukzak) | de rugzak | Он носит удобный рюкзак. (On nosit udobnyy ryukzak.) — Ik draag mijn laptop in een rugzak. |
| поезд (poyezd) | de trein | Скорый поезд отходит в час. (Skoryy poyezd otkhodit v chas.) — De sneltrein vertrekt van spoor drie. |
| вокзал (vokzal) | het treinstation | Встретимся у главного вокзала. (Vstretimsya u glavnogo vokzala.) — Wacht op mij voor het treinstation. |
Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)
Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| город (gorod) | stad | Этот город большой (etot gorod bol'shoy). — Deze stad is erg levendig. |
| деревня (derevnya) | dorp | Это тихая деревня (eto tikhaya derevnya). — Ze wonen in een rustig dorp. |
| центр (tsentr) | centrum | Мы едем в центр (my yedem v tsentr). — We gaan vandaag naar het centrum. |
| площадь (ploshchad') | plein | Эта площадь красивая (eta ploshchad' krasivaya). — Het grote plein is druk. |
| парк (park) | park | Мы гуляем в парке (my gulyayem v parke). — Kinderen spelen in het park. |
| супермаркет (supermarket) | supermarkt | Я в супермаркете (ya v supermarkete). — Ik koop eten in de supermarkt. |
| рынок (rynok) | markt | На рынке свежие фрукты (na rynke svezhiye frukty). — Er is vers fruit op de markt. |
| пекарня (pekarnya) | bakkerij | В пекарне свежий хлеб (v pekarne svezhiy khleb). — De bakkerij verkoopt vers brood. |
| книжный магазин (knizhnyy magazin) | boekhandel | Я люблю книги (ya lyublyu knigi). — Ik koop een boek in de boekhandel. |
| магазин одежды (magazin odezhdy) | kledingwinkel | Тут много курток (tut mnogo kurtok). — Deze kledingwinkel heeft jassen. |
Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)
School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| школа (shkola) | school | Дети идут в школу (deti idut v shkolu). — De school begint om acht uur. |
| университет (universitet) | universiteit | Он в университете (on v universitete). — Ze studeert aan de universiteit. |
| класс (klass) | klasokaal | Наш класс очень светлый (nash klass ochen' svetlyy). — Het klaslokaal is erg licht. |
| урок (urok) | les | Урок начинается сейчас (urok nachinayetsya seychas). — De les begint om tien uur. |
| домашнее задание (zadaniye) | huiswerk | Я сделал уроки (ya sdelal uroki). — Ik maak nu mijn huiswerk. |
| экзамен (ekzamen) | examen | Я сдал сложный экзамен (ya sdal slozhnyy ekzamen). — Ze is geslaagd voor het examen. |
| книга (kniga) | boek | Это очень интересная книга (eto ochen' interesnaya kniga). — Dit boek heeft een mooi verhaal. |
| тетрадь (tetrad') | schrift | Открой новую тетрадь (otkroy novuyu tetrad'). — Schrijf de woorden in je schrift. |
| страница (stranitsa) | pagina | Откройте десятую страницу (otkroyte desyatuyu stranitsu). — Lees nu pagina tien. |
| ручка (ruchka) | pen | Дай мне синюю ручку (day mne sinyuyu ruchku). — Mag ik jouw pen lenen? |
Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)
Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| быть (byt') | zijn | Я буду дома вечером (ya budu doma vecherom). — Ik ben helemaal klaar. |
| иметь (imet') | hebben | У меня есть вопрос (u menya yest' vopros). — We hebben een grote tuin. |
| идти (idti) | gaan | Я иду домой пешком (ya idu domoy peshkom). — Ik ga morgen naar Amsterdam. |
| приходить (prikhodit') | komen | Приходи к нам в гости (prikhodi k nam v gosti). — Kom je vanavond bij ons? |
| делать (delat') | maken | Что ты делаешь вечером? (chto ty delayesh' vecherom?) — Zij maakt een lekkere taart. |
| есть (yest') | eten | Мы едим свежий салат (my yedim svezhiy salat). — We eten om zes uur. |
| пить (pit') | drinken | Я пью чистую воду (ya p'yu chistuyu vodu). — Ik drink graag koude melk. |
| спать (spat') | slapen | Ребёнок крепко спит (rebyonok krepko spit). — Ik slaap acht uur per nacht. |
| просыпаться (prosypat'sya) | wakker worden | Я просыпаюсь рано (ya prosypayus' rano). — Ik word om zeven uur wakker. |
| говорить (govorit') | spreken | Он хорошо говорит (on khorosho govorit). — Zij spreekt vloeiend Frans. |
Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)
Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| большой (bol'shoy) | groot | Это очень большой дом (eto ochen' bol'shoy dom). — Ze wonen in een groot huis. |
| маленький (malen'kiy) | klein | Это маленький стол (eto malen'kiy stol). — Dit is een klein kopje. |
| хороший (khoroshiy) | goed | Это хорошая идея (eto khoroshaya ideya). — Dat is een goed idee. |
| плохой (plokhoy) | slecht | Сегодня плохая погода (segodnya plokhaya pogoda). — Het weer is vandaag slecht. |
| новый (novyy) | nieuw | У меня новая куртка (u menya novaya kurtka). — Ik heb een nieuwe fiets. |
| старый (staryy) | oud | Это очень старый замок (eto ochen' staryy zamok). — Dat kasteel is heel oud. |
| молодой (molodoy) | jong | Это молодой врач (eto molodoy vrach). — De jonge hond rent snel. |
| горячий (goryachiy) | heet | Чай ещё очень горячий (chay yeshcho ochen' goryachiy). — Pas op, de soep is heet. |
| холодный (kholodnyy) | koud | Сегодня холодный ветер (segodnya kholodnyy veter). — De winterwind is erg koud. |
| тёплый (tyoplyy) | warm | Надень тёплый свитер (naden' tyoplyy sviter). — Draag vandaag een warme trui. |
Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)
Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.
| Woord (Русский) | Betekenis (Nederlands) | Voorbeeldzin & vertaling |
|---|---|---|
| счастливый (schastlivyy) | blij | Я очень рад сегодня (ya ochen' rad segodnya). — Ik ben erg blij vandaag. |
| грустный (grustnyy) | verdrietig | Это грустная песня (eto grustnaya pesnya). — Het einde van de film is verdrietig. |
| уставший (ustavshiy) | moe | Я устал после дороги (ya ustal posle dorogi). — Ik ben moe na het sporten. |
| сердитый (serdityy) | boos | Не сердись на меня (ne serdis' na menya). — Wees alsjeblieft niet boos. |
| спокойный (spokoynyy) | kalm | Море сегодня спокойное (more segodnya spokoynoye). — De blauwe zee is kalm. |
| нервный (nervnyy) | zenuwachtig | Я волнуюсь перед тестом (ya volnuyus' pered testom). — Ik ben zenuwachtig voor de test. |
| взволнованный (radostnyy) | enthousiast | Дети рады поездке (deti rady poyezdke). — De kinderen zijn erg enthousiast. |
| удивлённый (udivlyonnyy) | verrast | Он был очень удивлён (on byl ochen' udivlyon). — Hij was verrast door het cadeau. |
| гордый (gordyy) | trots | Мы гордимся твоим успехом (my gordimsya tvoim uspekhom). — Haar ouders zijn trots op haar. |
| обеспокоенный (volnuyushchiysya) | bezorgd | Не волнуйся об этом (ne volnuysya ob etom). — Maak je maar niet bezorgd. |
Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition
Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.