Language Learning (CEFR A1–C2) Nederlands 15 Interactive Flashcard Decks

De beste flashcard-sets om Svenska (Swedish) woordenschat te leren: A1–B2 Gids

Leer de 480 belangrijkste dagelijkse woorden en zinnen in het Svenska (Swedish) via 15 thematische flashcard-sets (A1–B2) met voorbeeldzinnen en spaced repetition.

Klaar om direct te beginnen met oefenen?

Om vol vertrouwen Svenska (Swedish) te spreken in het dagelijks leven, leer je eerst de 480 meest gebruikte concrete woorden en uitdrukkingen, verdeeld over 15 praktische thema's met Active Recall en Spaced Repetition (FSRS-4.5).


Waarom concrete dagelijkse woordenschat het snelst werkt

Door concrete zelfstandige naamwoorden te combineren met de 32 belangrijkste werkwoorden en 32 bijvoeglijke naamwoorden kun je vanaf week één duizenden eigen zinnen maken.


De 15 essentiële thematische Svenska flashcard-sets (480 kernwoorden)

Set 1: Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen (32 kaarten)

Hallo, goedemorgen, alstublieft, dank u wel, pardon en essentiële eerste gesprekken.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
Hej Hallo Hej, hur är din dag? — Hallo, hoe is je dag?
God morgon Goedemorgen God morgon, sov du gott? — Goedemorgen, heb je goed geslapen?
God eftermiddag Goedemiddag God eftermiddag, välkommen till butiken. — Goedemiddag, welkom in onze winkel.
God kväll Goedenavond God kväll, middagen är klar nu. — Goedenavond, het eten is klaar.
God natt Welterusten God natt, sov så gott. — Welterusten, slaap lekker vannacht.
Hej då Tot ziens Hej då, vi ses snart igen. — Tot ziens, tot snel weer.
Vi ses imorgon Tot morgen Vi ses imorgon bitti. — Tot morgenochtend op het werk.
Snälla Alsjeblieft Kan du ge mig vattnet, snälla? — Geef me het water, alsjeblieft.
Tack Dank je Tack för din snälla hjälp. — Dank je voor je hulp.
Tack så mycket Hartelijk dank Tack så mycket för allt. — Hartelijk dank voor alles vandaag.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Begroetingen, beleefde woorden en dagelijkse zinnen


Set 2: Getallen, dagen van de week, maanden en tijd (32 kaarten)

Basisgetallen, maandag tot zondag, seizoenen, vandaag, morgen en klokkijken.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
ett (1) één (1) Jag har en biljett för idag. — Ik heb één kaartje voor vandaag.
två (2) twee (2) Ett bord för två personer, tack. — Een tafel voor twee personen.
tre (3) drie (3) Vi har tre katter hemma. — We hebben drie katten thuis.
fyra (4) vier (4) Det finns fyra stolar här. — Er staan hier vier stoelen.
fem (5) vijf (5) Ge mig fem minuter, tack. — Geef me alsjeblieft vijf minuten.
sex (6) zes (6) Jag vaknar klockan sex. — Ik sta om zes uur op.
sju (7) zeven (7) En vecka har sju dagar. — Een week heeft zeven dagen.
åtta (8) acht (8) Skolan börjar klockan åtta. — De les begint om acht uur.
nio (9) negen (9) Tåget avgår klockan nio. — De trein vertrekt om negen uur.
tio (10) tien (10) Den här boken kostar tio euro. — Dit boek kost tien euro.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Getallen, dagen van de week, maanden en tijd


Set 3: Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen (32 kaarten)

Stoel, tafel, bed, bank, lamp, deur, raam, sleutel, keuken, slaapkamer en huishoudelijke spullen.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
huset het huis Vårt hus ligger vid sjön. — Ons huis staat in een rustige straat.
lägenheten het appartement Jag hyr en liten lägenhet. — Ik huur een licht appartement.
rummet de kamer Det här rummet är väldigt ljust. — Deze kamer heeft grote ramen.
köket de keuken Vi lagar middag i köket. — We koken samen in de keuken.
sovrummet de slaapkamer Sovrummet är tyst och svalt. — De slaapkamer ligt aan de achterkant.
badrummet de badkamer Jag tvättar händerna i badrummet. — De badkamer is net schoongemaakt.
vardagsrummet de woonkamer Vi ser på tv i vardagsrummet. — We zitten gezellig in de woonkamer.
trädgården de tuin Det växer rosor i trädgården. — We drinken thee in de tuin.
stolen de stoel Varsågod och sitt på stolen. — Deze houten stoel zit lekker.
bordet de tafel Maten står redan på bordet. — De borden staan op de tafel.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Huis, kamers, meubels en dagelijkse voorwerpen


Set 4: Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant (32 kaarten)

Water, brood, koffie, thee, melk, kaas, vlees, vis, soep, ontbijt, avondeten, menukaart en de rekening.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
vattnet het water Ett glas kallt vatten, tack. — Een glas koud water, alsjeblieft.
brödet het brood Jag köper färskt bröd på bageriet. — Dit verse brood ruikt heerlijk.
kaffet de koffie Jag dricker svart kaffe utan socker. — Wil je een kopje warme koffie?
teet de thee Vill du ha en kopp grönt te? — Ik drink graag groene thee.
mjölken de melk Jag häller lite mjölk i kaffet. — Drink je koffie met melk?
juicen het sap Färskpressad apelsinjuice är gott. — Ik drink graag vers sinaasappelsap.
vinet de wijn Ett glas rött vin till maten. — Een glas witte wijn bij de vis.
ölet het bier En kall öl i solen, tack. — Twee koude biertjes op het terras.
osten de kaas Jag vill ha en smörgås med ost. — Een boterham met oude kaas.
smöret de boter Bred lite smör på det varma brödet. — Smeer wat roomboter op je brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Eten, drinken, maaltijden en bestellen in een restaurant


Set 5: Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt (32 kaarten)

Appel, banaan, sinaasappel, aardbei, tomaat, aardappel, wortel, ui, knoflook, salade, olie en honing.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
frukten het fruit Färsk frukt är nyttigt varje dag. — Vers fruit bevat veel vitamines.
äpplet de appel Det röda äpplet är krispigt. — Ik eet elke dag een appel.
bananen de banaan Jag äter en mogen gul banan. — Een rijpe gele banaan voor onderweg.
apelsinen de sinaasappel Skala en saftig och söt apelsin. — Ik pel een sappige sinaasappel.
citronen de citroen Den gula citronen är väldigt sur. — Een schijfje citroen in de thee.
jordgubben de aardbei Vi äter svenska jordgubbar på sommaren. — Zomerse aardbeien met slagroom.
vindruvan de druif En klase gröna kärnfria vindruvor. — Een tros witte pitloze druiven.
persikan de perzik En mjuk och saftig persika. — Een zachte en zoete zomerperzik.
vattenmelonen de watermeloen Kall vattenmelon svalkar i värmen. — Een stuk koude watermeloen.
ananasen de ananas Färsk ananas smakar sött och gott. — Snijd de verse ananas in stukjes.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Fruit, groenten en boodschappen in de supermarkt


Set 6: Familie, mensen, vrienden en relaties (32 kaarten)

Moeder, vader, broer, zus, grootouders, man, vrouw, kind, vriend, buurman en collega.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
familjen de familie Min familj bor i den här staden. — Mijn familie woont in deze stad.
mamman de moeder Min mamma lagar god mat varje dag. — Mijn moeder kookt elke dag heerlijk eten.
pappan de vader Min pappa arbetar på ett lokalt sjukhus. — Mijn vader werkt in een plaatselijk ziekenhuis.
föräldrarna de ouders Mina föräldrar reser till stranden varje sommar. — Mijn ouders reizen elke zomer naar zee.
brodern de broer Min bror spelar gitarr i ett band. — Mijn broer speelt gitaar in een band.
systern de zus Min syster studerar medicin vid universitetet. — Mijn zus studeert geneeskunde aan de universiteit.
sonen de zoon Deras son går i grundskolan nu. — Hun zoon gaat nu naar de basisschool.
dottern de dochter Deras dotter älskar att rita färgglada bilder. — Hun dochter tekent graag kleurrijke plaatjes.
farfadern de grootvader Min farfar berättar fantastiska historier varje kväll. — Mijn grootvader vertelt elke avond mooie verhalen.
mormodern de grootmoeder Min mormor bakar färskt bröd på söndagar. — Mijn grootmoeder bakt op zondag vers brood.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Familie, mensen, vrienden en relaties


Set 7: Kleding, schoenen, accessoires en kleuren (32 kaarten)

Overhemd, broek, jurk, jas, schoenen, sokken, hoed, bril, paraplu, rood, blauw, groen, zwart en wit.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
kläderna de kleding Jag packar rena kläder inför helgresan. — Ik pak schone kleding in voor de reis.
skjortan het overhemd Han bär en vit skjorta på kontoret. — Hij draagt een wit overhemd naar kantoor.
t-shirten het T-shirt Jag har på mig en t-shirt på sommaren. — Ik draag in de zomer een katoenen T-shirt.
tröjan de trui Den här ylletröjan håller mig varm på vintern. — Deze wollen trui houdt mij lekker warm.
jackan het jasje Ta på dig jackan innan du går ut. — Trek je jasje aan voordat je naar buiten gaat.
kappan de winterjas Hon hängde sin tunga kappa vid dörren. — Ze hing haar dikke winterjas bij de deur.
kostymen het pak Han köpte en mörk kostym till bröllopet. — Hij kocht een donker pak voor de bruiloft.
klänningen de jurk Hon bär en elegant sommarklänning idag. — Zij draagt vandaag een elegante zomerjurk.
kjolen de rok Den här kjolen passar bra till hennes blus. — Deze rok past goed bij haar blouse.
byxorna de broek De här svarta byxorna är lite för långa. — Deze zwarte broek is net iets te lang.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Kleding, schoenen, accessoires en kleuren


Set 8: Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek (32 kaarten)

Hoofd, oog, oor, hand, voet, hart, maag, tand, pijn, koorts, hoest, dokter, ziekenhuis, apotheek en medicijn.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
kroppen het lichaam Regelbunden träning håller kroppen stark. — Beweging houdt het lichaam gezond.
huvudet het hoofd Han nickade instämmande med huvudet. — Hij knikte instemmend met zijn hoofd.
håret het haar Hon borstar sitt långa hår varje morgon. — Ze borstelt elke ochtend haar lange haar.
ansiktet het gezicht Jag tvättar ansiktet med kallt vatten. — Ik was mijn gezicht met koud water.
ögat het oog Hon blundade och somnade snabbt. — Ze sloot haar ogen en viel in slaap.
örat het oor Hon viskade en hemlighet i mitt öra. — Ze fluisterde een geheim in mijn oor.
näsan de neus Min näsa är kall av vintervinden. — Mijn neus is koud door de wind.
munnen de mond Gapa stort hos tandläkaren. — Doe je mond wijd open bij de tandarts.
tanden de tand Jag borstar tänderna två gånger om dagen. — Ik poets mijn tanden twee keer per dag.
tungan de tong Den varma soppan brände min tunga. — De hete soep verbrandde mijn tong.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Lichaamsdelen, gezondheid, dokter en apotheek


Set 9: Dieren, huisdieren, natuur en het weer (32 kaarten)

Hond, kat, paard, vogel, vis, leeuw, boom, bloem, bos, berg, zee, rivier, zon, regen, sneeuw en wind.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
djuret het dier Vilda djur lever fritt i skogen. — Wilde dieren leven vrij in het bos.
hunden de hond Hunden springer glatt i parken. — De hond rent vrolijk in het park.
katten de kat Katten sover i den varma soffan. — De kat slaapt op de warme bank.
fågeln de vogel En liten fågel sjunger i trädet. — Een kleine vogel zingt in de boom.
hästen het paard Den bruna hästen galopperar över fältet. — Het bruine paard rent door het veld.
kon de koe Korna äter färskt gräs på ängen. — Koeien eten vers gras in de wei.
grisen het varken Bonden matar grisarna varje morgon. — De boer voert de varkens elke ochtend.
fåret het schaap Vita får betar på den gröna kullen. — Witte schapen grazen op de groene heuvel.
hönan de kip Hönsen lägger färska ägg varje morgon. — De kippen leggen elke ochtend verse eieren.
kaninen het konijn Den vita kaninen älskar knapriga morötter. — Het witte konijn eet graag verse wortels.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Dieren, huisdieren, natuur en het weer


Set 10: Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen (32 kaarten)

Vliegtuig, luchthaven, vlucht, paspoort, koffer, ticket, trein, bus, taxi, hotel, reservering, kaart, links, rechts en noord.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
resan de reis Vår helgresa till Rom var oförglömlig. — Onze reis naar Rome was onvergetelijk.
flygplatsen de luchthaven Kom till flygplatsen två timmar innan. — Kom twee uur eerder naar de luchthaven.
flygplanet het vliegtuig Flygplanet lyfte precis i tid. — Het vliegtuig vertrok precies op tijd.
flyget de vlucht Vårt direktflyg till Paris tar två timmar. — Onze rechtstreekse vlucht duurt twee uur.
passet het paspoort Visa ditt pass vid gränskontrollen. — Toon uw paspoort bij de grenscontrole.
boardingkortet de instapkaart Håll ditt boardingkort redo i handen. — Houd uw instapkaart bij de hand.
resväskan de koffer Den här tunga resväskan har fyra hjul. — Deze zware koffer heeft vier wieltjes.
ryggsäcken de rugzak Jag bär min dator i en vattentät ryggsäck. — Ik draag mijn laptop in een rugzak.
tåget de trein Snabbtåget avgår från spår tre. — De sneltrein vertrekt van spoor drie.
tågstationen het treinstation Möt mig utanför centralstationen. — Wacht op mij voor het treinstation.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Reizen, luchthaven, trein, hotel en de weg vragen


Set 11: Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen (32 kaarten)

Straat, plein, park, bank, postkantoor, supermarkt, bakkerij, museum, bioscoop, geld, creditcard, prijs en bon.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
stad stad Den här staden är livlig. — Deze stad is erg levendig.
by dorp De bor i en lugn by. — Ze wonen in een rustig dorp.
centrum centrum Vi ses i centrum idag. — We gaan vandaag naar het centrum.
torg plein Det stora torget är fullt. — Het grote plein is druk.
park park Barnen leker i parken. — Kinderen spelen in het park.
stormarknad supermarkt Jag handlar i stormarknaden. — Ik koop eten in de supermarkt.
marknad markt Det finns frukt på marknaden. — Er is vers fruit op de markt.
bageri bakkerij Bageriet bakar färskt bröd. — De bakkerij verkoopt vers brood.
bokhandel boekhandel Hon köpte en bok i bokhandeln. — Ik koop een boek in de boekhandel.
klädbutik kledingwinkel Den här klädbutiken har jackor. — Deze kledingwinkel heeft jassen.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Plaatsen in de stad, winkels, geld en boodschappen


Set 12: School, werk, kantoor, technologie en beroepen (32 kaarten)

School, universiteit, leraar, student, boek, pen, computer, telefoon, internet, e-mail, werk, kantoor, ingenieur en advocaat.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
skola school Skolan börjar klockan åtta. — De school begint om acht uur.
universitet universiteit Hon studerar vid universitetet. — Ze studeert aan de universiteit.
klassrum klasokaal Klassrummet har stora fönster. — Het klaslokaal is erg licht.
lektion les Dagens lektion är väldigt intressant. — De les begint om tien uur.
läxa huiswerk Jag blev klar med läxan. — Ik maak nu mijn huiswerk.
prov examen Hon klarade det sista provet. — Ze is geslaagd voor het examen.
bok boek Den här boken är bra. — Dit boek heeft een mooi verhaal.
anteckningsbok schrift Skriv det i din anteckningsbok. — Schrijf de woorden in je schrift.
sida pagina Slå upp boken på sidan tio. — Lees nu pagina tien.
bläckpenna pen Kan jag låna en penna? — Mag ik jouw pen lenen?

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — School, werk, kantoor, technologie en beroepen


Set 13: De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden (32 kaarten)

Zijn, hebben, gaan, komen, doen, eten, drinken, slapen, spreken, lezen, schrijven, kopen, werken en leren.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
vara zijn Jag är redo att gå. — Ik ben helemaal klaar.
ha hebben Vi har två små hundar. — We hebben een grote tuin.
gå gaan Jag går till jobbet tidigt. — Ik ga morgen naar Amsterdam.
komma komen Välkommen att komma på festen. — Kom je vanavond bij ons?
göra maken Hon gör färskt kaffe dagligen. — Zij maakt een lekkere taart.
äta eten Vi äter lunch klockan tolv. — We eten om zes uur.
dricka drinken Drick mycket kallt vatten. — Ik drink graag koude melk.
sova slapen Barnet sover väldigt lugnt. — Ik slaap acht uur per nacht.
vakna wakker worden Jag vaknar klockan sex. — Ik word om zeven uur wakker.
tala spreken Hon talar tre språk flytande. — Zij spreekt vloeiend Frans.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — De 32 belangrijkste dagelijkse actiewerkwoorden


Set 14: De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen (32 kaarten)

Groot, klein, goed, slecht, warm, koud, nieuw, oud, snel, langzaam, duur, goedkoop, makkelijk, moeilijk, schoon en vuil.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
stor groot De bor i ett stort hus. — Ze wonen in een groot huis.
liten klein Den lilla väskan är smidig. — Dit is een klein kopje.
bra goed Det är en mycket bra idé. — Dat is een goed idee.
dålig slecht Vädret är dåligt idag. — Het weer is vandaag slecht.
ny nieuw Jag köpte ett par nya skor. — Ik heb een nieuwe fiets.
gammal oud Det där slottet är gammalt. — Dat kasteel is heel oud.
ung jong Det unga trädet växer snabbt. — De jonge hond rent snel.
varm heet Akta, soppan är jättehet. — Pas op, de soep is heet.
kall koud Vinteron vinden är riktigt kall. — De winterwind is erg koud.
varm warm Ta på dig en varm jacka. — Draag vandaag een warme trui.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — De 32 belangrijkste bijvoeglijke naamwoorden en tegenstellingen


Set 15: Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's (32 kaarten)

Gelukkig, verdrietig, moe, boos, kalm, enthousiast, trots, vriendelijk, eerlijk, muziek, film, sport, zwemmen en koken.

Woord (Svenska) Betekenis (Nederlands) Voorbeeldzin & vertaling
glad blij Hon är glad över nyheten. — Ik ben erg blij vandaag.
ledsen verdrietig Slutet på filmen var sorgligt. — Het einde van de film is verdrietig.
trött moe Jag känner mig trött nu. — Ik ben moe na het sporten.
arg boos Var inte arg på mig. — Wees alsjeblieft niet boos.
lugn kalm Det blå havet är lugnt. — De blauwe zee is kalm.
nervös zenuwachtig Jag är nervös inför provet. — Ik ben zenuwachtig voor de test.
förväntansfull enthousiast Barnen är glada inför resan. — De kinderen zijn erg enthousiast.
förvånad verrast Han blev förvånad över gåvan. — Hij was verrast door het cadeau.
stolt trots Hennes föräldrar är stolta. — Haar ouders zijn trots op haar.
orolig bezorgd Var inte orolig för regnet. — Maak je maar niet bezorgd.

👉 Bestudeer deze set op Flashcards World: Svenska (Swedish) — Gevoelens, emoties, persoonlijkheid en hobby's


Dagelijkse 15-minuten studieroutine met Spaced Repetition

Bestudeer elke 2–3 dagen één thematische set (10–15 nieuwe kaarten per dag) en spreek elke voorbeeldzin hardop uit.